Somewhere




Sofia Coppola is lang niet de eerste filmmaker die worstelt met
het probleem hoe ze de emoties van een gesloten, geïsoleerd
hoofdpersonage moet communiceren naar het publiek. Sterker nog, met
haar nieuwste film, ‘Somewhere’, is het niet eens de eerste keer
dat ze dat zelf probeert. Zeven jaar geleden slaagde ze er
wonderwel in, toen ze in ‘Lost in Translation’ een apathische Bill
Murray opvoerde als een sarcastische, teleurgestelde acteur, op
zoek naar een beetje vreugde in het leven. Murray was een
troosteloze figuur, vervreemd van zichzelf en de wereld, maar dan
kwam daar Scarlett Johannson voorbij getrippeld en je zag zijn
personage langzaam maar zeker smelten, in een opeenvolging aan
magische scènes. Coppola had, dankzij de mild humoristische
wisselwerking tussen die twee personages, een manier gevonden om
het ennui van hen beiden voelbaar en herkenbaar te maken.
Ze leverde – daar zijn we nog altijd van overtuigd – en
passant
één van de beste films van het voorbije decennium af.
Alleen is er blijkbaar één regel van de filmkunst die ze zelfs van
haar beroemde vader niet heeft meegekregen: het is gevaarlijk om
hetzelfde terrein twee keer te betreden. ‘Somewhere’ is opnieuw het
verhaal van een apathische, van zichzelf vervreemde acteur, maar
ditmaal blijft de magie uit. Wat overblijft is… welja,
apathie.

Stephen Dorff speelt Johnny Marco, een succesvolle
Hollywoodacteur die zijn leven leidt in hotels. Hij is gescheiden
en heeft een elfjarige dochter, Cleo (Elle Fanning), waar hij
zielsveel van houdt maar die hij veel te weinig ziet. Hij is
wellicht de meest uitgebluste mens ter wereld, die niet in staat is
om eender welke emotie te voelen bij eender wat dat hij doet.
Vluchtige avontuurtjes met wildvreemde vrouwen dienen zich
regelmatig aan, maar hij lijkt enkel pro forma op hun avances in te
gaan, omdat dat van hem verwacht wordt – niet omdat hij er zin in
heeft. Aan het begin van de film valt hij in slaap tijdens het
beffen, kun je nagaan. Johnny’s leven neemt heel stilletjes en heel
geleidelijk aan een andere wending, wanneer Cleo bij hem gedumpt
wordt door zijn ex-vrouw. Hij neemt zijn dochter mee op
promotietournee naar Italië, en zo wordt hij zich steeds meer
bewust van de leegte van zijn leven.

Een leegte die wat al te nadrukkelijk door Coppola in ons
gezicht wordt gewreven. De regisseur heeft in interviews zelf al
verteld dat het werk van Antonioni een belangrijke bron van
inspiratie was, en dat laat zich voelen. Buiten zijn grootste
commerciële succes ‘Blow-Up’, was Antonioni immers vooral bekend
voor zijn ennui-trilogie, ‘L’Avventura’, ‘La Notte’ en
‘L’Eclisse’, alle drie films over rijkelui die klaarblijkelijk hun
capaciteit voor menselijke emoties zijn kwijtgeraakt naargelang ze
meer geld vergaarden. Johnny Marco had perfect een
Antonionipersonage kunnen zijn: hij heeft geld genoeg om geen dag
van zijn leven nog te moeten werken, maar hij loopt verdoofd door
zijn eigen bestaan.

Allemaal goed en wel, maar hoe geef je die verveling weer zonder
zelf een vervelende film te maken? In ‘Lost in Translation’ deed
Coppola dat door Murray en Johannson bij elkaar te zetten, waardoor
hun ennui plotseling verdween – dankzij hun interactie met
elkaar, beseften ze wat ze tot dan toe gemist hadden. Een
dergelijke interactie blijft uit in ‘Somewhere’. Tijdens het eerste
half uur van de film zien we Stephen Dorff in volle zombiemodus.
Hij heeft een duo paaldanseressen geboekt om in zijn hotelkamer te
komen performen (wist u al dat die meisjes hun eigen palen
kunnen meenemen?). Half slapend volgt hij het optreden van de
meisjes, zonder ook maar een spoor van opwinding in zijn lijf. Op
pakweg dertig seconden is de situatie en de betekenis ervan meer
dan duidelijk, maar Coppola houdt die scène zo’n drie minuten lang
aan – ze laat een volledig liedje spelen, en pas als het nummer
afgelopen is, is ook de scène gedaan. En alsof dat niet genoeg was,
laat Johnny Marco de volgende avond wéér twee paaldanseressen
komen, en krijgen we identiek hetzelfde opnieuw. Alleen is het
ditmaal een ander nummer. Dat nog net wel. Iets gelijkaardigs
gebeurt er wanneer Johnny met zijn dochter naar een schaatsles
gaat. Hij kijkt toe terwijl Cleo een kuur schaatst en ja hoor,
alweer wordt die scène drie minuten aangehouden, tot het liedje dat
er speelt uit is. Coppola vertraagt hier, allicht doelbewust, het
tempo van haar film tot een slakkengangetje om de futloosheid van
haar hoofdpersonage te suggereren. Maar het gevolg is dat de film
zelf ook behoorlijk futloos gaat aanvoelen.

Vooral omdat de relatie tussen Johnny en zijn dochter, haast per
definitie, niet de louterende kracht heeft van die tussen Murray en
Johannson. In ‘Lost in Translation’ zag je twee volwassen mensen
die troost bij elkaar vonden en elkaar in vertrouwen konden nemen.
Er werd over wezenlijke dingen gesproken tussen twee personages die
elkaars gevoelens begrepen. Aangezien de voornaamste relatie in
‘Somewhere’ er één is tussen een volwassene en een kind, is dat
soort van zielsverwantschap bijna automatisch onmogelijk. Johnny
kan vertederd zijn door zijn dochter, maar Cleo kan met haar elf
jaar niet snappen aan wat voor crisis haar vader lijdt en niet
bewust proberen om hem te helpen. Wat Murray en Johansson extern
konden maken tegen elkaar in ‘Lost in Translation’, blijft hier
steken tussen de oren van Stephen Dorff, want dat soort relatie heb
je nu eenmaal niet met je prepuberale dochter. Waar dat in de
praktijk op neerkomt, is een eindeloze reeks scènes waarin Stephen
Dorff mistroostig voor zich uitstaart.

Wanneer Coppola dan toch op een humoristische noot mikt, krijgen
we alweer dezelfde culturele clichés die in ‘Lost in Translation’
veel beter werden gedaan. Een hysterische Italiaanse journaliste
die Johnny de ene debiele vraag na de andere stelt (“Wat vindt u
het mooiste aan Italië?”), gevolgd door een hallucinant kitscherige
prijsuitreiking, doen sterk denken aan de Japanse stereotypen die
we in ‘Translation’ te zien kregen. Coppola maakt zich opnieuw
vrolijk over de wezenloosheid van de meeste mediareporters, maar
het begint aan te voelen als een oude grap.

Visueel is Coppola wel weer sterk bezig, met strakke
beeldcomposities en een belichting die op een subtiele manier de
unheimlichkeit van het verhaal ondersteunt. Zoals steeds
is ook de soundtrack tot in de puntjes verzorgd, met een
vindingrijk gebruik van bestaande nummers (paaldansen op ‘My Hero’
van de Foo Fighters, waarom niet?) en originele muziek van Phoenix
die de toon van de film helemaal vat. Stephen Dorff is
geloofwaardig als Johnny Marco, maar krijgt al bij al maar een
beperkt gamma aan emoties – wat had je dan gedacht, hij speelt
tenslotte de vleesgeworden apathie. Elle Fanning ontpopt zich tot
een verrassend weinig irritante telg uit het geslacht dat ook de
gevreesde Dakota voorbracht, met een vertolking die erg fris en
ongedwongen overkomt.

‘Somewhere’ is een bewijs van twee dingen. Ten eerste: als je
personage een emotionele crisis doormaakt, dan heb je een ander
personage nodig met wie hij dat kan delen. Anders blijft alles
gewoon intern zitten en heb je eigenlijk geen film. En ten tweede:
Sofia Coppola moet dringend eens andere paadjes bewandelen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + vier =