Isobel Campbell & Mark Lanegan




Zou het gezellig zijn, daar op de tourbus die het niet zo olijke
duo Campbell en Lanegan van heinde en verre naar Brussel bracht?
Zou Mark aan de lopende band moppen tappen terwijl Isobel met de
andere bandleden ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ speelt? Ons
lijkt het eerder onwaarschijnlijk, maar gisteren werd in de AB
bewezen dat je band niet uit shiny happy people hoeft te
bestaan om bloedmooie liedjes te brengen. We lopen op de feiten
vooruit, want voor Isobel Campbell en Mark Lanegan de bühne
betraden, mocht Willy Mason het aardig
toegestroomde publiek opwarmen en dat deed hij met gloedvolle
americana én verve. Op ‘Hawk’ is de folkzanger op twee nummers te
horen, maar ook zijn eigen minimalistische werk – just me and
my guitar
– mag er zijn. Het warme geluid van die gitaar
begeleidt tijdloze en universele lyrics – “don’t we all need to
find a way home?”-
maar maakt af en toe ook plaats voor de
nodige dreiging, zoals in ‘Gotta Keep Moving’ van op zijn
ondertussen zes jaar oude debuut ‘Where the Humans Eat’.

Dreigend, zo begon ook de set van Belle en het Beest – een cliché
dat voor één keer niet eens zo vergezocht is. De muzikanten
zetten het breekbare ‘We Die and See Beauty Reign’ in, waarop
Isobel Campbell en Mark Lanegan – volledig in het
zwart, hoe kan het ook anders? – in het schemerdonker het podium
opsluipen en zonder enige vorm van introductie met enkel summier
oogcontact toch perfect simultaan invallen. Hiermee was meteen de
toon voor de rest van het concert gezet, want weinig woorden maakte
het duo aan hun songs vuil en pas na het vierde nummer – Townes Van
Zandt-cover ‘Snake Song’- kon er voorzichtig een glimlachje
richting publiek vanaf. Bij Isobel althans, want Lanegan hield zijn
blik zowat het hele concert lang halsstarrig op een niet nader te
definiëren punt ergens naast de microfoonstandaard vastgepind. Wat
er in ‘s mans hoofd omgaat zal waarschijnlijk altijd een mysterie
blijven – zelfs het lala-refrein in ‘Who Built the Road’ wordt
verbeten uit de strot geknepen, maar zolang hij zijn schuurpapieren
stem uitleent aan nieuwe countrycoryfee Campbell hoeven we dat niet
per se ontrafeld te zien. Het eerste deel van de set was een
aangename mix van nieuw en ouder werk – zo hoorden we ‘You won’t
Let Me Down Again’ en ‘Come Undone’ voor het eerst live en was het
een aangenaam weerzien met ‘Ballad of the Broken Seas’. Na onze
persoonlijke favoriet ‘The Circus is Leaving Town’ – “you could
make me believe, that the sun sets in the east”
– hield
Lanegan het even voor bekeken en mankte hij na enkel een kurkdroog
‘Thank You’ het podium af.

Tijd dus voor de terugkeer van Willy Mason, die naast ‘No Place to
Fall’ en ‘Cool Water’ ook nog een eigen nummer ten berde mocht
brengen. De jonge bard voelde zich opmerkelijk beter in zijn
element zodra hij zich weer achter zijn gitaar kon verschuilen en
met ‘I Wish I Knew How to Say Goodbye’ wist hij ongetwijfeld een
pak harten in het publiek te veroveren. Plots heerste trouwens ook
een opvallend lossere atmosfeer op het podium, nu Isobel Campbell
dat even niet meer met de Man, de Legende moest delen. Dat ook zij
niet bepaald een people person is, viel op toen ze
schuchter de band – een bont allegaartje uit Schotland, Seattle en
Århus of all places – voorstelde, maar haar gegiechel toen
ze het tijdens ‘Cool Water’ even moeilijk had om het juiste ritme
aan te houden – “this is a tricky one” – werkte
aanstekelijk. Een beetje meer zelfvertrouwen zou de Schotse schone
echter niet misstaan, want met het integere ‘Saturday’s Gone’ en
‘To Hell and Back Again’ bewees ze ook zonder mannelijke vocals aan
haar zijde toch behoorlijk haar mannetje te staan. Maar niet
getreurd toen Lanegan daarna voor het bezwerende ‘Backburner’ weer
uit zijn hol gekropen kwam en wat op plaat één van de mindere
nummers is, overtuigde in de AB volledig door de eigenaardige
chemie die zich tussen Campbell en Lanegan ontspinde. Het derde
luik van de set ging op hetzelfde elan verder en tijdens de laatste
noten van ‘Time of the Season’ durfde Isobel het waarachtig aan om
iets in het oor van haar mannelijke compagnon te fluisteren.

Hoewel je het hen op het eerste zicht niet zou nageven – geef toe,
Mark Lanegan is veeleer een ijs- dan een knuffelbeer- heeft zich
tijdens hun samenwerking een vreemdsoortig affectie tussen de twee
ontwikkeld en is het heus niet enkel de jonge Campbell die ontzag
heeft voor oude rot Lanegan, maar doet ook hij eerbiedig een stapje
opzij wanneer zij zoals op ‘Ballad of the Broken Seas’ of ‘Come
Undone’ haar cello bovenhaalt en zo de nummers van een extra laagje
dreiging weet te voorzien. Wederzijds respect, het vat dit concert
perfect samen: rastalenten die op het podium ietwat onwennig hun
grenzen aftasten, elk hun eigen ding doen, maar wonderwel ook samen
perfect op onze tere ziel afgestemde nummers weten te brengen. Dat
Lanegan het hele concert lang amper een spier verrekt heeft – zelfs
niet wanneer een vrouwelijke fan zijn ‘(Do You Wanna) Come Walk
With Me’ met een dolenthousiast ‘Yes’ beantwoordde – kan ons dan
ook bitter weinig deren. Soms zijn woorden en zelfs lichaamstaal
overbodig, de songs en dan zeker afsluiter ‘Wedding Dress’ zijn ook
op zich een overtuigend visitekaartje.

Meer afbeeldingen
HIER

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − zes =