Ornette Coleman :: 8 juli 2010, Gent Jazz

Wat ons betreft, was er maar een man die ons de brandende zon in kreeg: jazzgigant Ornette Coleman. We hadden z’n legendarische passage op Middelheim (2007) al moeten missen, net als het concert in Bozar (2008), dus de verwachtingen waren hooggespannen. Die zouden grotendeels ingelost worden.

’t Is een beetje een vreemd festival geworden, Gent Jazz. Van avontuur, laat staan van jazz, is steeds minder sprake. De organisatie heeft er intussen voor gezorgd dat dit evenement een magneet voor meerwaardezoekers is, en als die kwaliteit niet te vinden is bij de muziek, dan wel bij het hele randgebeuren. Van luxebieren en (prijzige) klassesnacks tot zachte klapstoeltjes en een waanzinnig groot team vrijwilligers: alles wordt in het werk gesteld om het publiek in de watten te leggen. Zorgt het enerzijds bijna voor een wellness-gevoel, dan lijkt het er anderzijds weer voor te zorgen dat muziek vaak op het tweede plan komt. Openingsacts worden vaak geconfronteerd met een bijna lege tent en de nationale Duvelomzet wordt in twee weken tijd verdubbeld.

Kurt Elling, een van de meest gelauwerde jazzzangers van het moment, was de eerste artiest die op substantiële aandacht mocht rekenen en het werd ook snel duidelijk waarom de man een publiekslieveling geworden is. Hij opende sterk met het aan Joe Jackson ontleende “Steppin’ Out” en stond ook daarna garant voor tomeloze (en meertalige!) inzet met z’n kwartet, met daarbij stergitarist John McLean. De al te stroperige toer werd vakkundig vermeden, al had je soms wel de indruk dat z’n begeleiders iets té sterk hun best deden, wat ten koste ging van de subtiliteit. Dat werd alleszins wel rechtgezet door de Waalse sopraansaxofonist Pierre Vaiana, die met pianist Salvatore Bonafede en Manolo Cabras zorgde voor een gesmaakt concert waarbij volkse invloeden werden gekoppeld aan intimistisch jazzspel.

Maar we waren dus gekomen voor Ornette Coleman, samen met Cecil Taylor de vaandeldrager van de vroege free jazz en de man die in 1959-1960 met vier (!) legendarische albums op het Atlantic-label (The Shape Of Jazz To Come, Change Of The Century, This Is Our Music en Free Jazz) een seismische schok teweegbracht in de jazz waar de traditionalisten nog steeds niet van bekomen zijn. Het luidde een esthetiek van vrijheid en experiment in die het gelaat van de muziek duchtig veranderde en tot op de dag van vandaag voelbaar is in de albums en concerten van de navolgers. Vanaf de jaren tachtig ging de productiviteit wat achteruit, maar de intussen 80-jarige muzikant maakte in 2006 een opgemerkte comeback met het goed onthaalde Sound Grammar.

Op die plaat was hij in de weer met drummer/zoon Denardo Coleman en bassisten Tony Falanga en Greg Cohen, een bezetting die ook nu gebruikt werd, met dat verschil dat Cohen werd vervangen door Al MacDowell op elektrische bas. Dat maakte het meteen al wat funkier, met een grotere nadruk op groove, iets dat ook nog eens versterkt werd door Denardo Coleman, die duidelijk heimwee heeft naar de Prime Time-periode van einde jaren zeventig, met zijn drukke, door funk- en rockaccenten gestuurde stijl die meer dan eens deed denken aan die van Ronald Shannon Jackson. Het probleem was dat z’n hyperkinetische spel soms een opdringerig effect had en de muziek zijn sereniteit ontnam. Idem voor bassist MacDowell, die met z’n gitaarsound wel virtuoze dingen uithaalde, maar weinig in te brengen had tegen de dominantie en expressieve klasse van Tony Falanga.

Die getrouwe Colemanadept pakte vanaf het eerste nummer meteen uit met een volle, donkere toon, wat de muziek zelfs in de introverte stukken een dramatische spanning meegaf. Minstens even opvallend was z’n spel met de strijkstok: nu eens meeslepend en weemoedig, dan weer luchtig en speels. Duidelijk een stel muzikanten dat van alle markten thuis is. Coleman & co. draaien er hun hand niet voor om om Stravinsky in hun muziek te verwerken en ook Bach passeerde hier: zo wierp Falanga zich op diens Cello Suite #1, wat leidde tot extatische reacties bij het publiek. Enkele nummers werden gepikt uit het recente(re) Sound Grammar, met “Sleep Talking” als hoogtepunt, maar verder waren het natuurlijk de oudjes die gingen lopen met de aandacht.

En Coleman zelf natuurlijk, want de man stond verbazend sterk te spelen. De laatste jaren zijn er aardig wat coryfeeën gepasseerd, gaande van Archie Shepp en McCoy Tyner tot de onvermijdelijke Toots Thielemans, maar zelden hoorden we een tachtiger uitpakken met zo’n souplesse, spontaniteit en kracht. Z’n trompetspel was eerder matig, maar nog steeds slaagt hij er in om uit die witte altsax een geluid te persen dat door merg en been gaat. Het is dan ook een mooi contrast om te zien: een bescheiden bejaarde die niets dan klasse uitstraalt en toch nog steeds in staat is om composities binnenstebuiten te keren en geïnspireerde solo’s te spelen waarbij de wenkbrauwen de lucht in gaan. “Peace”, “The Sphinx”, een gezapig bluesy “Turnaround” en het niet kapot te krijgen “Lonely Woman” (het eerste bisnummer), ze staan nog steeds fier overeind en werden gebracht in moeiteloos overtuigende versies.

Geen collectieve overrompeling dus, maar wel een prima concert dat liet horen dat er amper sleet te bespeuren valt op ’s mans muziek. Hij werd dan ook bedacht met een gepaste en ontroerende staande ovatie. Beter laat dan nooit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 1 =