I.M. Ornette Coleman (1930-2015)

Gisteren verscheen plots het nieuws dat Ornette Coleman overleden is. Daarmee nemen we afscheid van een van de laatste nog resterende iconen uit het ‘Gouden Tijdperk’ van de jazz. Uitgebreide overlijdensberichten en carrière-overzichten doken meteen op, net als talloze vermeldingen in sociale media, die ’s mans status enkel nog onderstrepen. Bij de liefhebbers van de jazz en in het bijzonder die van het veelkoppige monster genaamd freejazz, die Coleman beschouwen als een van de giganten van het genre, kwam het nieuws duidelijk hard aan.

Ik heb eigenlijk geen straffe verhalen te melden over Ornette Coleman en mezelf. Ik heb nooit de eer gehad om de man de hand te schudden of met hem op de foto te gaan. Ik zag hem ook maar één keer live en ben niet eens een kenner van z’n volledige oeuvre. Daarvoor is die discografie, die van start ging in 1958, misschien iets te lang, divers en intimiderend. En ik ontdekte hem ook wat later dan Coltrane. Mijn introductie tot die laatste was Henry Rollins, een held in de vroege jaren negentig die er mee voor zorgde dat ik jazz benaderde langs de linkerflank. Eerst Coltrane, Zorn en Brötzmann. Daarna de anderen. Maar ook Coleman volgde later.

De eerste keer dat ik Colemans muziek hoorde was trouwens via John Zorns Spy vs. Spy (1989), een knetterende ode aan de muziek van de pionier, met die befaamde line-up (Zorn, tweede saxofonist Tim Berne, drummers Michael Vatcher en Joey Baron, en bassist Mark Dresser) die de weg bereidde voor de shock & awe-tactiek van Naked City die vlak erna zou volgen. In handen van Zorn & co. klonk Colemans muziek manisch, explosief, New Yorks neurotisch. Zeker opener “W.R.U.”, oorspronkelijk eentje van Ornette! (1961). Die Coleman was meteen een punker in mijn ogen.

Die mening heb ik zodra ik de echte platen in handen kreeg eerst wat bijgesteld. Zo heftig klonken die toch niet? Het is pas later, toen ik iets meer inzicht kreeg in de context en verwezenlijkingen van zijn tijdsgenoten, beginnen dagen hoe bijzonder en vernieuwend ze wel waren. Dat we anno 2015 goed gewapend zijn tegen behoorlijk uitdagende platen die de kantjes eraf lopen, hebben we voor een groot stuk te danken aan de vroege verwezenlijkingen van de Texaanse saxofonist, die aanvankelijk op behoorlijk wat weerstand kon rekenen. Van luisteraars én collega’s. Veel had daarbij te maken met zijn eigenzinnige en vernieuwende aanpak, die de gebondenheid aan strakke structuren, harmonieën en akkoordenreeksen helemaal openbrak.

Coleman wilde af van de zelfopgelegde beperkingen, van melodieën die bepaald werden door onderliggende schema’s, van vaste ritmes. Dat hij bovendien speelde op een plastic sax, was voor velen de druppel. En toch. Als je de albums die werden uitgebracht op het Atlantic label (dàt was nog eens een label met ballen) nu oplegt, valt die ongrijpbare, kwikzilveren stijl meteen op, ook al gaapt er een wereld van verschil tussen The Shape Of Jazz To Come (1959) van het klassieke kwartet met Don Cherry, Charlie Haden en Billy Higgins, en Free Jazz (1961), waarvoor de band aangevuld werd met nog eens vier muzikanten – Eric Dolphy, Freddie Hubbard, Scott LaFaro en Ed Blackwell – die samen collectief aan het improviseren sloegen.

Achteraf bekeken klinkt Free Jazz eigenlijk nog vrij gestroomlijnd en vallen er toch duidelijke structuren te ontwaren, die compleet overboord gegooid zouden worden door andere barricadenbestormers in de jaren zestig en zeventig, maar het was 1961, en van een improvisatie die 37 minuten aanhield op een album, daar had nog nooit iemand van gehoord.

Maar de autodidact Coleman was nooit zomaar voor een gat te vangen en hij zou in de jaren erna verder opschuiven naar de experimentele marge. Zijn muziek werd gaandeweg grilliger en zocht ook heil buiten de jazz. Hij leerde zichzelf viool en trompet spelen en nam een verdeling zaaiend album op met het London Symphony Orchestra (Skies Of America, 1972), maar er vielen in elk decennium wel parels te rapen. Zo klinkt Dancing In Your Head van zijn Prime Time Band nog altijd even bruisend als in 1976, en is Song X, de samenwerking met Pat Metheny uit 1985, nog altijd een hoogtepunt uit hun beider carrières. Keerpunt voor een herwaardering van Colemans muziek was de soundtrack voor de verfilming van William Burroughs’ Naked Lunch (1991) door David Cronenberg, waarvoor hij werd samengebracht met componist Howard Shore en The Master Musicians Of Jajouka.

Natuurlijk was er ook nog zijn aparte persoonlijkheid. Coleman was een ongrijpbare sfinx, een figuur waar je moeilijk vat op kreeg, die geen moeite leek te doen om zich te conformeren aan de gangbare regels. Geen uitgelaten, goeiige gezelligaard, maar ook geen vervelende dwarsligger. Lees er interviews op na en je wordt je bewust van de opmerkelijke gedachtengang van een filosoferende muzikant met soms verrassend frisse kijk op de dingen (zoals in dit interview door Jacques Derrida). Soms ook moeilijk te begrijpen, net als zijn concept van de harmolodics. Die persoonlijkheid zit ook in zijn onvergelijkbare muziek. Die verloor nooit helemaal de link met de blues, bleef steeds uniek en herkenbaar.

18 augustus 2007. Ik verhuisde die dag m’n boeltje van Brussel naar Geraardsbergen en het fenomenale concert van Coleman op Jazz Middelheim hoorde ik noodgedwongen op de radio. Ik hoefde niet eens aanwezig te zijn op het festivalterrein om te beseffen dat de man een concert speelde dat in de eregalerij van Middelheimmomenten past. Ik was er wel bij toen de man in 2010 terugkeerde naar Gent Jazz. Legendarisch was dat concert niet en de meningen waren op z’n zachtst gezegd verdeeld. Focus Knack had het in een verrassend giftige bespreking zelfs over een ‘gênante’ vertoning.

Als ik al een Coleman-anekdote te vertellen heb, dan is het eigenlijk een klein, huiselijk tafereel. Misschien zelfs wat melig. Toen mijn dochter Mona een paar jaar geleden (ze was toen vier) vroeg of ze eens mocht horen waar ik naar luisterde, zette ik de koptelefoon op haar hoofd. Terwijl ze normaal meteen smoelen trok of met een truttig “Papa!” haar ogen ten hemel sloeg, bleef ze die keer – voor het eerst, geloof ik – luisteren. Het was Tomorrow Is The Question!, de tweede plaat van Coleman, die hij net voor de overstap naar Atlantic maakte. Het is niet zijn meest gewaagde plaat, maar wel mijn favoriet, omdat het ook als geen ander laat horen wat een fantastisch componist en bedenker van geweldige melodieën de saxofonist was.

Mona luisterde. Geen idee hoe lang. Dertig seconden? Twee minuten? Ik weet het niet meer. Maar ik had wel de tijd om een foto te maken, en in haar ontspannen houding zit een focus die helemaal bij de muziek past. Ze kijkt die mijmerende kop van Coleman aan, misschien zoekend naar het verband tussen beeld en geluid. Geen idee welk nummer ze hoorde, of het de A-kant was of de B-kant, maar ik stel me wel eens voor dat het het zomers trippelende titelnummer was, of het bluesy meesterwerk “Turnaround” of misschien wel het gejaagde gestuiter van “Rejoicing”. Ze leek alleszins te beseffen dat er iets bijzonders in de groeven verstopt zat. De eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat ze achteraf nooit meer heeft gevraagd naar die plaat, maar ik heb wel nog die foto. En we zullen die plaat nog wel eens samen beluisteren zodra de tijd er rijp voor is. Bedankt, Mr. Coleman.

*** Minder vertrouwd met het werk van Coleman en op zoek naar de ideale introductie? Eerder dit jaar werd de fenomenale box Beauty Is A Rare Thing, die het complete werk van de Atlantic-periode (1959-1962) bevat en al even out of print was, opnieuw beschikbaar in een betaalbare versie. Begin daar, de rest volgt vanzelf. ***

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + twaalf =