Louis Sclavis + Fred Hersch


In het najaar van 2009 bracht Louis Sclavis samen met zijn kwintet
het met rock gekruide jazzalbum ‘Lost on the Way’ uit bij ECM. De
Franse klarinettist werd in het verleden al meermaals geprezen voor
zijn brede en verfrissende aanpak en bij ‘s mans laatste worpeling
is dat niet anders. ‘Lost on the Way’ slaat talloze inslagen naar
andere genres in, een kleurrijke reis doorheen de wereld. Een
ongeëvenaarde complexiteit die met dank aan de navigatie-expertise
van Sclavis in goede banen geleid wordt.

De Gentse Vooruit diende in het verleden reeds als podium voor zijn
verscheidene projecten. Het publiek kreeg de dankbare gelegenheid
om een uitgebreide live-vertolking van ‘Lost on the Way’ te mogen
aanschouwen. De grootste verrassing van de avond viel echter niet
te beurt aan Sclavis: het voorprogramma dat aan het optreden werd
gekoppeld, kon makkelijk het hoofdprogramma van die avond evenaren.
Niemand minder dan Fred Hersch, pianist en mentor
van Brad Mehldau, maakte zijn opwachting om het publiek te verbazen
met nieuwe en adembenemende composities.

Hersch is allesbehalve een kleintje in de jazzwereld en heeft
aardig wat bekendheid bijeengesprokkeld door zijn composities
geïnspireerd op grootheden uit het verleden, en zijn optredens met
het zogenaamde Trio en Trio + 2. Daarbuiten is de Amerikaan iemand
die zijn homoseksuele geaardheid (en seropositieve status) nooit
ofte nimmer ontkend heeft. De muziek die in de Vooruit werd
voorgesteld, schreef Hersch specifiek voor twee muzikanten. Voor
dit optreden vergezelde de Italiaanse klarinettist Nico Gori hem op
het podium; het was het eerste optreden dat ze samen zouden
spelen. Van enige onwennigheid of afwachtende houding was, gelukkig
genoeg, totaal geen sprake.

Het duo startte ingetogen met een ode aan Kenny Wheeler die de
titel ‘A Lark’ had meegekregen. Hersch gaf een nogal starre en
statige indruk, tot hij met zijn vingers in vloeiende bewegingen
een zeer lichte en heldere speelstijl ontwikkelde, waarbij een
ander facet van de pianist aan de oppervlakte kwam. Het samenspel
was bijzonder vlot en nergens waren er enige onregelmatigheden te
bespeuren. Het oeuvre van Hersch bleef getrouw aan de traditie en
waagde zich nooit echt op experimenteel terrein, maar de uitvoering
en beleving was van ijzingwekkend hoog niveau. Vooral de
beweeglijke speelstijl van Gori en zijn kleine gesticulaties waren
aandoenlijk om te volgen. De kleine nuanceverschillen van de muziek
lagen vaak in goed gekozen dissonanties en mineurklanken die het
geheel een frisse indruk gaven. ‘Old Devil Moon’ was een
uptemponummer en gaf vooral de gelegenheid aan beide muzikanten om
hun techniek te demonstreren. Gori flaneerde goed tussen een
intense opzwependheid en frisse zoetigheid. Hersch toonde zich
vooral als een meester in spanningsopbouw door de vele wisselende
melodische en ritmische structuren. Die vele minieme details gaven
het optreden een gedurfd kantje, al bevond het hoogtepunt zich pas
later. ‘Pastorale’, een nieuw stuk dat aan Robert Schumann was
toegewijd, startte met golvende melodielijn, gekenmerkt door kleine
intervallen om dan te ontwikkelen naar een moderne muziekopvatting
met een vrijere inslag. Meermaals werd de juiste balans tussen
klassiek en modern gekozen waarbij vooral de eclectische stijl van
Hersch als componist werd benadrukt. Het eerste deel van de avond
liet alvast een diepe indruk na, een optreden op het scherp van de
snede.

Louis Sclavis
nam bij aanvang van het optreden de
gelegenheid om zijn nieuwe collega’s aan het publiek voor te
stellen. Daarbij was het vooral uitkijken naar bassist Olivier Lété
en nog meer naar gitarist Maxime Delpierre. Laatstgenoemde werd uit
de wereld van de rockmuziek geplukt om ‘Lost in the Way’ een
rokerige en doordringende klankkleur mee te geven. Een korte
instrumentale intro verraadde al snel dat Sclavis en co zich niet
zouden beperken tot de grenzen van de jazzmuziek maar ook elementen
uit de rock, folk en wereldmuziek in hun optreden zouden betrekken.
Het gitaarwerk van Delpierre deed bij momenten vaak aan de muziek
van David Eugene Edwards (vooral dan Woven Hand) denken. Sclavis
trok niettemin alle aandacht naar zich toe met zijn solostukken op
de basklarinet. Matthieu Metzger klonk daarentegen met zijn
saxofoon tijdens de opener ‘De Charybde En Scylla’ iets te stil om
met al het ritmisch geweld van de groep te concurreren. Het kwintet
koos voor een opvallend experimentele opzet die wel kon intrigeren
maar niet altijd even goed wist te overtuigen. Delpierre klonk met
zijn ijzige gitaarriffs bij momenten als het betere
avant-gardistisch gitaarwerk van Noël Akchoté, maar kon diezelfde
creatieve lijn niet gedurende het volledige concert doortrekken.
Sclavis en Metzger beperkten zich al te vaak ook tot eenzelfde
melodielijn waarbij enkel de klankkleur van het instrument als
afwisseling zorgde. Nochtans waren zulke details wel essentieel om
het optreden in de hoogte te tillen. De beklemmende atmosfeer van
het album was bij momenten goed aanwezig waarbij de langgerekte
bassolo van Lété een belangwekkend hoogtepunt vormde. De Franse
bassist kon bij momenten wel van een beetje overacting
beschuldigd worden, maar liet zich volledig gaan in een afwisselend
en knap moment d’expériment. Een spirituele onbewogenheid
in de vorm van een blijvende diepe ondertoon van Sclavis bracht de
muziek ook dicht bij de nujazz van The Cinematic Orchestra. Weinig
stijlen of vormen werden vermeden en raakten soms in een grotesk
geheel vervlochten dat de instapdrempel soms zeer hoog legde. Het
hermetische karakter van de muziek en de overdaad aan invloeden
waren soms moeilijk te verteren – zeker in vergelijking met het
album. Dat gevoel werd versterkt door de ambitieuze drang naar het
kunstzinnige. Die neiging ging op de duur iets meer naar muzikaal
gelanterfanter dan explosieve vernieuwing.

Het dubbeloptreden met Fred Hersch en Louis Sclavis was een
uitgelezen kans om twee toonaangevende figuren uit de jazzwereld
aan het werk te zien. Totaal verschillend qua stijl, maar elk op
hun eigen overtuigende manier bijzonder. Een muisstil publiek kreeg
waar voor zijn geld, al was het vooral Fred Hersch (en Nico Gori)
die een diepe indruk nalieten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 4 =