Soap & Skin :: 18 maart 2010, AB

Enkele maanden geleden dwongen stemproblemen haar het uitverkochte ABClub-concert te annuleren. Een geluk bij een ongeluk, want om het stilzwijgend goed te maken, bracht de jonge Soap & Skin een heus strijkerensemble mee en verhuisde ze naar de roodfluwelen zetels van de grote zaal.

Dat er best gezeten werd bij deze vertoning — een term die gerust gebruikt mag worden bij zoveel theatraal uitgedrukte emoties — is een understatement. De muzikale intensiteit van Soap & Skin is van die mate dat je ze ofwel helemaal opslorpt of er met reuzenpassen van wegloopt.

Anja Plaschg is pas twintig. Ze schreef Lovetune For Vacuum in volle puberteit. De plaat zit propvol macabere, angstige en angstaanjagende ideeën met zwaarmoedig pianospel, hysterische zang en vakkundige injecties elektronica. Het soort plaat dat je adem afsnijdt en waarbij het moeilijk blijven luisteren is als de boodschap en de teneur ervan doordringt. Het is het soort plaat waarvan je je afvraagt wat erger is: een puberdochter die af en toe een lijn cocaïne snuift of een die zulke muziek maakt.

Op een soundscape van gekeelde varkens komt ze het podium op. Schuchter, achter een centraal geplaatste microfoon, brengt ze een gestripte, door het strijkerskwartet en een bugel begeleide versie van “Brother Of Sleep”. Dit is meteen de enige uitvoering die afwijkt van de albumversies. Het ensemble brengt nauwgezet de arrangementen van de plaat, de occasionele bugelspeler regelt de elektronica die de plaat op de letter volgt, alleen de zanglijn krijgt wat vrijheid. Toch blijft dit ensemble een fysieke meerwaarde, iets wat ook Plaschg’s verschijning, een soortement Helena Bonham-Carter, is. Haar meeslepend pianospel en haar tengere aanwezigheid benadrukken de breekbaarheid van haar nummers. Een adembenemend “Cry Wolf” zuigt de zuurstof uit de zaal. Haar aandoenlijke schreeuwen en haar — op geregelde tijdstippen — hysterisch gegil bezorgen vooral een groot gevoel van ongemak om zoveel openhartigheid.

Ongemak dat Plaschg zelf onderstreept door tijdens “Spiracle” de spots een nummer lang op het publiek te richten en zelf in het donker te verblijven. Het publiek kon niet anders dan de confrontatie met de tekst (“When I was a child / Fears pushed me hard in my head / In my neck, in my chest, in my waist / I never loved / I still beg, please, help me”) voluit aan te gaan. Een trucje waar een goed psychiater nog van wat zou kunnen leren. Deze bevreemdende minuten kwamen na een verstikkende cover van Kronos Quartets “Meltdown (Requiem For A Dream)” door het ensemble, waarbij we Plaschg in tranen de coulissen in zagen lopen.

Tranen kwamen meerdere malen aan bod. Geregeld zagen we haar het hoofd afwenden en zo stond ze, als een stamelende Halle Berry die haar Oscar in ontvangst nam, op het einde van de avond een bedankje te prevelen waarbij ze onnodig bescheiden vroeg haar ooit een tweede kans te geven. Ze had net een uitputtend “Marche Funèbre” neergezet. Alsof ze het onderwerp van een duivelsuitdrijving was, schudde ze met haar lichaam, gooide ze haar armen de lucht in en holde ze gillend over het podium. Van zoveel theatraliteit kennen onze wenkbrauwen ongeziene hoogten.

Als toegift bracht ze a capella “Zog Mit Keynmol”, een Joods verzetslied tegen de Holocaust. Was het de Duitse taal of het feit dat ze consequent naast de toon zat, waarom een paar mensen in het publiek te kampen hadden met een onbedaarlijke lachbui? Er was in elk geval geen sprake meer van oprechtheid, het was al lang een georkestreerde theatershow geworden. Eentje waaraan ze zelf, onbewust, een naam gaf tijdens het bedankje aan haar moeder, die zich in de zaal bevond en “all the way from Österia” kwam. Hysterie met intens mooie momenten, maar waarvan het ballonnetje te snel doorprikt wordt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − twee =