Apse :: 15 december 2009, STUK

Een paar uur vertraging, een muzikantenwissel te veel tussen twee platen door, en een gebrek aan overkoepelende artistieke visie: redenen genoeg waarom Apse dinsdagavond in STUK niet echt sterk uit de hoek kwam. Jammer was het sowieso wel, want wie een meesterwerkje als Spirit op zijn actief heeft staan, kan iets.

Apse is laat, héél laat in STUK toegekomen. Geen tijd gehad om ernstig te soundchecken, en dus gebeurt dat uitgebreid na de set van voorprogramma Motek. Vertraging dus, en een concert dat pas om half elf eindelijk een aanvang neemt. So far so good echter, erger is dat het ene naadloos overgaat in het ander, en je je halfweg “Shade Of The Moor” staat af te vragen of dit nu nog de soundcheck is of dat het concert toch al begonnen is.

Dat is jammer: het nummer is met zijn daverende drums en ijselijk gezang potentieel een krachtige opener, maar gaat hier helemaal verloren voor een publiek dat zijn aandacht nog op het podium aan het focussen is — als het al doorheeft dat dat aan de orde is. “Blown Doors” voelt dan ook aan als het echte begin van een show die zijn draai nooit echt lijkt te vinden.

Opnieuw: een puik nummer, maar het mist context. En dat is van bij de eerste keer dat we Apse zagen een pijnpunt geweest. Op plaat zorgt de groep voor een bezwerende trip — in het beste geval voortjakkerend, opgejaagd achteromkijkend als op het briljante debuut Spirit, in het slechtste geval gewoon zweverig als op het nieuwe Climb Up — maar live wordt alles in kleine stukjes gehakt die apart niet levensvatbaar zijn. Cru gesteld: zanger Robert Toher zou tussen de nummers zijn mond moeten houden, de band zou moeten doorspelen. Muziek als deze, met zijn aan postrock refererende dynamiek en structuren, moet het van opbouw hebben; Apse begint er niet aan, en als er al een aanzet is, dan wordt die vakkundig de nek omgewrongen.

Het heeft er echter alle schijn van dat Apse slechts bij toeval op dat Spirit is gestoten en dat er geen overkoepelende artistieke visie is die de muzikanten bijeenhoudt. Dit een stabiele groep noemen, is de waarheid dan ook geweld aandoen: voor Spirit kende de groep al heel wat muzikantenwissels, ook voor Climb Up zijn er weer leden buitengezet, anderen ingehaald. Het gevolg is een groep die niet goed weet hoe met zijn materiaal om te gaan om er het maximum uit te halen.

En dus blijft alles wat vrijblijvend. Onder een erg lelijke belichting (we zagen ooit in de AB hoe een lichtman met visie een Apse-concert tien keer meer sfeer gaf) brengt de groep op een degelijke manier zijn etherische muziek, maar nergens pakt het je bij je nekvel zoals Spirit dat deed. Dat is dan ook het euvel dat Climb Up zo kenmerkt: de groep wil meer de nadruk op ‘songs’ leggen, maar heeft er helaas geen erg sterke op stal staan. En dus blijft alles ergens hangen tussen ‘sfeer willen scheppen’ en een song brengen. Het ruikt in STUK plots naar mossel noch vis.

De dansbare baslijnen, die de groep op Climb Up introduceert, redden “The Whip” nog, waarmee eindelijk laat beterschap in de set komt. Met bisnummer “Earth Covers Us” wordt nog even overtuigend uitgehaald, dankzij de stampende, tribale ritmes, maar de echte waanzin, de paranoia van de plaatversie ontbreekt.

We hadden willen schrijven: “Apse ging de mist in”, maar laat het ontbreken van mist, enige flou artistique en mystique, net het probleem zijn geweest vanavond. In het theater werkt die Discordia-benadering van “hé we zijn ook maar een truukje aan het opvoeren” wel, bij een concert niet. Jammer voor Apse, maar wij hadden meer theater willen zien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − 9 =