Surrogates




Iedereen zal het er waarschijnlijk wel over eens zijn dat de
eerste twee Terminator-films nog altijd de beste van de reeks zijn,
maar daarmee wordt de derde aflevering uit de reeks toch wat
onrecht aangedaan. ‘Rise of the Machines’ miste misschien het
doemsfeertje en die typische James Cameron-stempel van zijn
voorgangers, maar wist wel een heel eigen draai aan het universum
te geven. De prent had een andere, maar geslaagde visuele stijl,
raasde met z’n bondige 107 minuten als een sneltrein voorbij en kon
rekenen op enkele van de spectaculairste, meest vindingrijke stunts
uit de franchise. Epiek werd ingeruild voor gebalde actie, maar dat
werkte nog wel en mijns inziens heeft regisseur Jonathan Mostow er
een knap actiespektakel met een eigen smoel van gemaakt. Met
‘Surrogates’ is het weer van dattum: zijn nieuwste boreling mist
dan wel de narratieve focus van ‘T-3’, maar Mostow slaagt er wel in
om alle troeven van deze laatste over te dragen op zijn routineuze,
maar onderhoudende sci-fi flick.

In ‘Surrogates’ komt niemand nog z’n huis uit. En waarom zouden
ze ook? Voor een spotprijs is het mogelijk om een genetisch
perfecte copy te kopen die je van op afstand kan besturen,
om zo je leven te leiden zonder dat er jou iets kan overkomen,
vanuit de safety of your own living room. Zo’n
copy – of Surrogate – kan een opgepoetste – lees: jongere,
gladgestreken en geheel fake – versie van jezelf zijn,
maar je kan als dikke vent bijvoorbeeld ook in de huid kruipen van
een bevallig blondje; alles is mogelijk, it’s life… only
better
. Op dit moment begint de oplettende kijker zich al de
sluwe vraag te stellen “…or is it?“. Geen risico in je
leven betekent ook een leger bestaan met een afgeschermde
leefwereld en weinig tot geen contact met échte andere mensen. Het
is een mooie, venijnige kritiek op de botoxcultuur van Hollywood,
maar toegegeven, de film doet verder weinig met dat (interessante)
gegeven. Neen, het verhaal is eerder een excuus om Bruce Willis
door enkele indrukwekkende chase scenes te kunnen jagen
dan een uitdieping van het conflict tussen menselijkheid en
technologie, ontmenselijking in een technomaatschappij of de
westerse schoonheidsindustrie.

Dat ‘Surrogates’ nooit het niveau haalt van zijn voorbeelden –
‘Blade Runner’, ‘Minority Report’ en nog een paar dozijn andere
Philip K. Dick-verhalen – ligt voor het grootste deel aan de
voorspelbaarheid waarmee de plot zich ontrafelt. Gelukkig heeft
deze guilty pleasure nog andere troeven. Qua opzet
lijkt-ie wat op het recent verschenen ‘Gamer’, maar waar deze
laatste meestal onnodig serieus bleef – op de momenten dat Michael
C. Hall niet in beeld was dan toch – trekt ‘Surrogates’ resoluut de
kaart van de actie. Die begint wanneer de zoon van
Surrogate-uitvinder Lionel Canter (Cromwell) dood wordt
aangetroffen. Wat is daar nu zo raar aan? Wel, aangezien iedereen
leeft door zijn of haar Surrogate, is misdaad zo goed als
onbestaande en als er dan toch eens geweld uitbarst, dan blijft de
schade beperkt tot de machine, zonder dat de eigenaar daar enige
last van ondervindt. De zoon van Canter stierf echter terwijl hij
in z’n luie zetel zat, ingelogd bij zijn copy. FBI-agent
Greer (Willis) ontdekt al snel dat er een onbekend wapen in de
omloop is en begint zijn eigen onderzoek, dat hem onder meer leidt
tot bij de Surrogate-fabriek, een biologische rebellenbeweging
onder leiding van Ving Rhames en het vermoeden dat het gebruik van
een Surrogate wel eens gevaarlijker zou kunnen zijn dan iedereen
gelooft…

Dat klinkt heel erg donker, maar ‘Surrogates’ is zeker geen
futuristische film noir in het verlengde van ‘Blade
Runner’. Als je hem ergens mee moet vergelijken, dan wel met
Mostow’s eigen ‘Rise of the Machines’: ook hier kiest de man voor
een warm kleurenpalet, zwierig in beeld gezette, spectaculaire
actie en een zuinige speelduur – een dure actieprent van nog geen
anderhalf uur, het is tegenwoordig een zeldzaamheid geworden. Er
zitten ook enkele leuke vondsten in de prent. Zo zien de Surrogates
er ook echt plastiek uit. Het is een subtiel effectje,
maar het werkt wel degelijk: als kijker valt het je meteen op hoe
vals alles er uitziet. De echte mensen zien er dan weer stuk voor
stuk belabberd uit, alsof ze al enkele jaren hun appartement niet
meer zijn uitgeweest – wat in de meeste gevallen ook inderdaad zo
is. En het verhaal trapt moeiteloos naar een hogere versnelling
wanneer Willis noodgedwongen afscheid moet nemen van z’n
copy om zélf weer een stapje in de wereld te zetten.

Ook niet onbelangrijk zijn de actiescènes – daar draait het
tenslotte allemaal rond – en die zijn gelukkig om van te smullen:
kort, krachtig en uiterst effectief gemonteerd. Enkele crashes zien
er geweldig cool uit en Mostow slaagt erin om je in de beste
passages op het puntje van je stoel te houden. Dat je enkele
plotwendingen al van mijlenver ziet aankomen, neem je er voor één
keer dan maar bij. Nicolas Cage, die de laatste jaren nochtans zó
z’n best heeft gedaan, mag z’n prijs voor Beste Toupet trouwens
netjes doorgeven aan Bruce Willis, die er werkelijk hilarisch
uitziet in Surrogate-modus en zich hier zichtbaar staat te
amuseren. Een groot deel van de tijd zit je te supporteren, niet
omdat de flik vecht voor een nobel doel, maar omdat de flik Bruce
Willis is; en Bruce Willis is cool.

Och ja, echt top is ‘Surrogates’ niet, de emotionele subplot
rond de vrouw van Greer is nogal overbodig en nadat je ‘m gezien
hebt, zal je ‘m allicht snel weer vergeten. Maar I’ll be
damned
, na een tegenvallende blockbuster-zomer is dit
een meer dan welkome afwisseling voor de irritante ADHD-cinema van
‘Transformers 2’ en ‘G.I. Joe’. Go get ’em, Bruce!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 + 15 =