William Elliott Whitmore :: 2 oktober 2009, Botanique

Heel even zag het ernaar uit dat William Elliott Whitmore een veredeld huiskamerconcert zou geven in een amper gevulde Rotonde. Gelukkig zou die echter bijna vollopen voor een prima optreden van een kerel over wie sommigen beweerden dat hem grote dingen te wachten stonden.

Zo ver is het intussen nog niet gekomen, al is het niet duidelijk waar het aan ligt. De man heeft goede songs, charme, een individuele stijl, vier sterke albums op z’n credo en toch wil het niet écht loslopen. Zou het er iets mee te maken kunnen hebben dat z’n muziek en persoon niet dat excentrieke, ‘weirde’ hebben dat hem zou geliefd zou maken in een milieu van hippe muzieknerds dat beweert de vinger aan de pols van wat gebeurt te hebben? Het geweeklaag van Bon Iver, het cartoonesk wereldvreemde van Bonnie ‘Prince’ Billy, de hobbytuinsongs van Fleet Foxes, het zijn allemaal elementen die Whitmore moet missen. Neem die tattoos weg, en je hebt gewoon een onopvallende kerel met een grof timbre.

Whitmore laat het niet aan z’n hart komen en doet z’n ding. Die tactiek leverde hem in het verleden ook al goeie resultaten op: zo speelde hij twee jaar geleden het op routine terugvallende duo Campbell & Lanegan naar huis en maakte hij naar verluidt minstens evenveel indruk als publiekslieveling Alela Diane eerder in de AB dit jaar. Whitmore heeft het wel begrepen op België, al zullen daar de gastvrijheid en, zoals herhaaldelijk aangehaald, het bier wel voor iets tussen zitten. Na drie weken touren was de alcoholconsumptie zo hoog dat de man moest overschakelen op een flesje water, wat duidelijk niet z’n gewoonte was.

Drie weken onderweg hadden duidelijk ook zijn tol geëist: nergens presteerden Whitmore en drummer Whitney Teska (die zes songs meespeelde) ondermaats of zelfs minder dan goed, maar toch had je soms het gevoel dat ze blij waren dat het bijna achter de rug was, dat de vlam misschien niet gedoofd was, maar toch ietsje kleiner geworden. Toch blijft Whitmore een figuur die met z’n no nonsense-aanpak en haast gênante dankbaarheid meteen zieltjes voor zich weet te winnen. Het is het soort artiest dat zich niet te beroerd voelt om het podium af te stappen en handjes te schudden, het nog méént ook, en die je achteraf nog op een biertje kan trakteren.

Whitmore opende solo op banjo. Op dat instrument is z’n spel eerder franjeloos, soms zelfs rudimentair, al wordt dat ruimschoots gecompenseerd door z’n gloedvolle oudeventengebrom en diep in de traditie gewortelde thema’s. Zelden zal je een referentie vinden aan hedendaagse gebeurtenissen en dagdagelijkse beslommeringen, en als dat toch al zo gezien kan worden, zoals het geval is bij een aantal songs van het politiek geladen Animals In The Dark, dan kunnen de songs ook steeds op een universeel, tijdloos niveau gehoord worden. Zijn landbouwachtergrond en eenvoudige afkomst verraden zich in alle songs, met hun verwijzingen naar leven & dood, bloei en vergankelijkheid, natuur- en spirituele elementen.

Doorheen het concert zou de man z’n hele oeuvre aandoen, met de nadruk op het laatste album. Sommige songs klonken exact zoals je ze zou verwachten (“Mutiny”, “Hell or High Water”), hier en daar was er eentje die live beter werkte dan op plaat (“There Is Hope For You”) of de kwaliteit van het origineel nog eens onderstreepte (een machtig “Old Devils”). Het drumwerk werd doorgaans beperkt tot simpele stompen en dat werkte prima, al kreeg “Sometimes Our Dreams Float Like Anchors” een nadrukkelijke stadionbeat die het had kunnen missen.

Wat ook opviel was dat Whitmores spel op gitaar vrij rijk en subtiel was, al werd hij ook geholpen door een uitmuntende sound. “The Chariot” werd zo een hoogtepunt, net als “Who Stole The Soul”, dat de zaal muisstil kreeg. Snel en vurig (“Lee County Flood”) werd afgewisseld met ingetogen (“Pine Box”), en allemaal werkten ze goed, al kreeg je nu en dan wel het gevoel dat Whitmore in de buurt van de routine kwam. Zo klonk “Johnny Law”, net als de studioversie, een pak gelatener dan de gechargeerde versie die hij twee jaar geleden op het publiek in de Vooruit losliet.

Afsluiten gebeurde met “Black Iowa Dirt”, dat wél de juiste energie had, en een imponerende versie van folkbluesklassieker “Goodnight Irene” (Leadbelly) dat het dankbare publiek stijlvol de nacht instuurde. Kortom: de ietwat verbrede sound van Animals In The Dark zorgde niet echt voor een duidelijk merkbare uitbreiding van de fanschare, al kreeg dat groepje wel waar het voor kwam: sterke rootsmuziek van een artiest die zijn draai definitief gevonden heeft en z’n publiek niet in de zeik zal zetten met gimmicks die hun houdbaarheid verliezen op twee maanden. Whitmore is een blijver.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + drie =