WERCHTER 2009 :: De thermostaat van Antarctica

Dat het heet was, maar dat het bij momenten ook goed was. Werchter 2009 was een editie met een hoog grabbeltongehalte, maar af en toe haalden we daar ook leuke verrassingen uit. Onze mannen en één vrouw smeerden zich duchtig in, zetten voor alle veiligheid toch ook maar een klakske op en kwamen terug met volgend verslag.

Dag een :: Hip als een bloemetjesjurk

Zondag 5 juli 2009 zal voor eeuwig in ons geheugen gegrift staan als the day the music died. Milk Inc op Rock Werchter symboliseert de ultieme knieval voor de commerciële mallemolen. De Muziek — met kapitale M — zou zich echter niet zonder slag of stoot gewonnen geven. Voor Regi op zondagavond de handjes in de lucht laat steken — een gebaar van capitulatie als het ware — staan er nog vier dagen zwaar muzikaal weerwerk op het programma, te beginnen met deze donderdag 2 juli.

Hot ’n sunny. Every day, hot ’n sunny! We horen het de betreurde Bill Hicks nog zeggen. In ons doorgaans koele Vlaanderlandje is dat uiteraard overdreven, maar op deze eerste Werchterdag is het alvast wel heet genoeg om zelfs tropische cactussen tot zweten aan te zetten. De in ontblote basten en felgekleurde bikinitopjes gehulde jongens en meisjes zien er aanvankelijk nog fris gewassen uit, maar al gauw kan in de plakkerige aaneenschakeling van okselvijvers haast tot aan de Main Stage worden gezwommen.

Jesse Hughes lijkt de hitte alvast niet te deren. Hughes mag met zijn Eagles of Death Metal Rock Werchter 2009 aftrappen. “Let’s make some rock ’n roll”, declameert de sympathieke kruising tussen Freddy De Vadder en Lemmy, en zo geschiedde. Alle opsporingsbevelen ter wereld volstaan niet om bij EODM een memorabele song of ook maar het minste teken van subtiliteit te vinden, maar de band levert wel een verdomd stomend optreden af. “Have you ever seen a crowd this big, momma?”, roept Hughes zijn in de coulissen toekijkende moeder toe, met een voldane grijns op het gezicht. Wij hebben alvast al slechtere openingsacts gezien.

Expatriate in de Marquee bijvoorbeeld. Het is dat een briesende hoofdredacteur ons gedwongen heeft, of we hadden de Australiërs straal genegeerd. Zanger Ben King slaagt er met zijn licht krankzinnige blik en verwijfde heupwiegen niet in om het publiek tot meer dan knikkebollen aan te zetten. Het beste aan dit optreden is het feit dat het in de Marquee net iets koeler is dan daarbuiten. Niettemin hebben we Expatriate tot de laatste noot aanschouwd. Tot de laatste, tergend lang uitgesponnen noot. Die medaille voor moed en zelfopoffering mag onmiddellijk op de post gedaan worden, dankuwel.

Twee jaar geleden zong Lily Allen nog de hemel open met “Smile”, vandaag trotseert ze de Werchterse zon, gehuld in een minuscuul tijgertopje en met enkele hits en een cocktail in de hand. Wanneer halfweg de show ook de broek, pumps en pruik worden uit- en afgegooid wordt het zowaar haar “meest naakte show ooit”, aldus Lily. Het heeft inderdaad weinig om het lijf, en dat slaat ook op de muzikale kant van dit concert. Het zijn vooral de hits als “The Fear” en “Fuck You” die de handen op elkaar krijgen en de middenvingers in de lucht, daarnaast wordt met covers gestrooid: “Oh My God” is een makkelijke garantie voor succes en met “Womanizer” krijgen we een Britse Britney te zien. Toch houdt Allen haar imago van vrolijke, ietwat naïeve gazelle intact en heeft ze het overduidelijk naar haar zin terwijl ze van links naar rechts over het podium huppelt. Als het de wei in beweging zet, wie zijn wij dan om te vitten?

Emiliana Torrini heeft vooral heel erg haar best gedaan. De IJslands-Italiaanse schoonheid gaat gekleed in iets wat op een door Walter Van Beirendonck ontworpen parachute lijkt, maar prijkt verder heerlijk schattig op het podium van de Marquee. Torrini staat zo aandoenlijk te sukkelen met haar bindteksten dat we er lichtjes vertederd door worden. Maar het is voor de muziek dat we komen, meneer! En op dat vlak worden we toch enigszins ontgoocheld. Torrini blijkt niet al te best bij stem te zijn, wat ervoor zorgt dat ze af en toe nauwelijks boven haar muzikanten uitkomt. Bij “Jungle Drum” wordt zelfs pijnlijk duidelijk dat ze moeite heeft om de hoogste noten te halen. De enkele hoogtepunten in het optreden komen niet toevallig uit het ingetogen Fisherman’s Woman. Een verbluffend sterk “Sunny Road” toont vooral hoe goed een optreden van Torrini in topvorm had kunnen zijn. Volgende keer beter dan maar.

Op weg naar Fleet Foxes in de Marquee stellen we vast dat Dave Matthews Band op de Main Stage volstrekt irrelevant staat te wezen. De frontman heeft het charisma van een platgetrapte goudvis en de songs — die op hun best als een flauw afkooksel van bluesrock kunnen worden omschreven — worden veel te lang uitgesponnen. Waarom DMB in de Verenigde Staten nog steeds zo razend populair is, ontgaat ons volledig. Een enkeltje richting muzikale vergetelheid is wat de heren verdienen, met vriendelijk verzoek Expatriate onderweg op te pikken. DMB krijgt wat ons betreft de weinig benijdenswaardige titel van “miskleun van de dag”.

Neen, dan liever de mannen met baarden. De heren van Fleet Foxes zien eruit alsof ze vaste klanten zijn bij het kringloopcentrum om de hoek en hun muziek is ongeveer even hip als de bloemetjesjurk van uw oma. En toch is het dringen voor een plaatsje in de Marquee. Fleet Foxes zorgt voor de eerste serie kippenvelmomenten van dit festival, met een samenzang die bij momenten aan The Beach Boys doet denken. Het publiek laat zich de atypische festivalmuziek welgevallen en schreeuwt alsof Michael Jackson zelve het podium had beklommen. “White Winter Hymnal” en “Mykonos” worden onthaald als ware rock anthems. De grijns op het gezicht van Robin Pecknol spreekt boekdelen. Muziek – commercie: 1-0.

Brian Molko ziet er goed uit. De charismatische hogepriester van de androgynie blaakt van zelfvertrouwen en heeft duidelijk zin in een robbertje muzikaal tongtwisten met het publiek. Niet verwonderlijk, als je weet dat Placebo met Battle For The Sun een uitstekend verkopende plaat uit heeft en met “For What It’s Worth” alweer een knoert van een hitsingle te pakken heeft. De nieuwe drummer, Steve Forrest, blijkt al uitstekend ingewerkt, waardoor Placebo een set aflevert die strakker zit dan de outfits van Grace Jones.

Vanaf de eerste uithaal van “Kitty Litter” stuurt Molko’s zeurende stem een golf van vervoering over de weide, die pas zou wegdeinen lang nadat de laatste, verschroeiende noot van “Taste In Men” had weerklonken. De Britten kunnen inmiddels uit een indrukwekkend arsenaal aan singles putten en draaien het publiek moeiteloos binnen met nummers als “Every You Every Me”, “Special K” en “The Bitter End”. Dat het allemaal soms wat machinaal klinkt, valt niet te ontkennen, maar zelfs een op routine drijvend Placebo speelt het leeuwendeel van de concurrentie naar huis met de vingers in de witbepoederde neus.

En dan zijn er nog de broertjes Gallagher. Liam stapt het podium op met de obligate groene regenjas, minachtende blik en een ego dat groot genoeg is om de gemiddelde Vlaamse provinciestad mee te bevolken. Het aanschouwen van dit prototype van de rockster zou voldoende moeten zijn om Regi ertoe aan te zetten spontaan zijn ziektebriefje voor zondag in te dienen. Oasis palmt het publiek — dat bestaat uit een opvallend grote schare Britten — in met een Blitzkrieg, opgebouwd uit de grootste hits. Hoezo teveel nieuwe nummers? Oasis speelde welgeteld twee nummers uit het recente Dig Out Your Soul. Meedogenloos en met nauwelijks tijd voor een adempauze dendert Oasis doorheen het repertoire, waardoor wij na zowat anderhalf uur verweesd achterblijven. “You were good, but we were better”, sneert Liam zelfvoldaan net voor afsluiter “I Am The Walrus”. Zelden is arrogantie zo terecht geweest.

En het blijft nog even 1997 all over again, want met The Prodigy hebben we nog een groep wiens hoogtepunt ergens midden in het vorige decennium lag. De verwachtingen waren laag na de recente stinkerd Invaders Must Die, maar dat bleek niet nodig. De groep speelt ongeveer even strak als de gebotoxte gezichten van frontmannen Liam en Maxim, en de hits volgen elkaar in sneltempo op. Ons danstalent indachtig houden we ons echter koest en bekijken we het geheel goedkeurend van op een afstand. Het is al laat, het is tijd. Morgen is er meer, veel meer.


Dag twee :: Vleermuizen rond de Main Stage

Werchter 2009, dag twee: die van Coldplay, met een voorprogramma waar mening festivalorganisator een moord voor zou begaan. De zon trok zich al bescheidener terug achter de wolken om diverse ego’s op de podia hun schittering niet te ontnemen en een fris briesje maakte alles nog net iets lichter verteerbaar.

Maar we laten ons om op te warmen gaarne een geweten schoppen door (ex-)brulboei Henry Rollins die in de Marquee aan spoken word mag doen. De man doet dat goed, maar we hebben het al eens gehoord. Twee jaar geleden op Pukkelpop bijvoorbeeld, en sindsdien regelmatig op café, dankzij gezelschap dat zijn sticking it to the Man-ismen graag van Rollins leent. Rollins vindt Amerika nog steeds een apenland, is zelf erg ruimdenkend en reist graag de wereld rond om te leren over ander culturen, maar heeft met zijn nieuwe president net iets minder om zich uitgebreid over op te winden. Boeiend en meesterlijk verteld, maar we kenden het verhaal al.

Op naar White Lies dus, dat zijn best doet om in het harde daglicht niet kopje onder te gaan. Er zijn immers betere plekken voor vleermuizengezang dan een zonnige dag op een wei waar iedereen lekker in bikini loopt te paraderen. Maar niet getreurd; Harry McVeigh zet zijn donker keelgat open en meteen omcirkelen vleermuizen het hoofdpodium. Goed, de in dit licht ontstellend jonge frontman schuift nog even van de toonladder in opener “A Place To Hide” — dat ook sukkelt met een veel te luide bas — maar vanaf de gothic disco van “To Lose My Life” klopt alles als een bus: de donkere bassen, de staccato gitaren en dramatische synths die samen het wel erg door de jaren tachtig geobsedeerde geluid bepalen. Niet alle nummers halen helaas de lat — “Fifty On Our Foreheads” blijft ons met ongewenste Ultravoxherinneringen bestoken — maar als het er op zit zoals in het erg theatrale “Unfinished Business”, dan is het van wereldniveau. Nog een paar nummers als dit en het magistrale “Death”, en White Lies speelt vanzelf in het donker.

Was M Ward bang van het grote Marqueepodium? Met zijn grote zonnebril (in een donkere tent!) meet hij zich alvast een ridicuul stoere pose aan die niet past bij zijn vrij traditionele rootsrock. Omringd door oude rotten, pint Ward zich zo hard vast op de traditie dat het wat belegen wordt. Enkel Conor Oberst kan dit soort dingen verkocht krijgen, en zelfs hij ging op zijn laatste plaat kopje onder in net hetzelfde meer der eenvormigheid. Americana is een beetje voorbij, jongens.

Amy MacDonald doet wat ze al vorig jaar op Pukkelpop ook al deed: een lekker wegluisterende set vol folkpop spelen, gelardeerd met onverstaanbare Schotse bindteksten en covers van The Killers (“Mr. Brightside”) en The Boss (“Dancing In The Dark”). Ze doet dat, voor zo’n vrijdagnamiddag op een onder de hitte gebukte gaande Werchterweide, niet echt slecht, maar wat dat buiten lekker wegluisteren nu precies met ons dééd, zijn we een verfrissende scheut water verder alweer vergeten. Storen deed het echter evenmin. We weten ook niet wat we daar precies mee willen zeggen: het is de hitte, excuseer.

En dan Elbow. Op het grote podium? Bij stralende zon? Met hun reputatie? Jazeker. We hielden ons hart ook even vast, maar halfweg setopener “Station Approach” hebben Guy Garvey en de zijnen alle twijfels al weggespeeld. Dankzij het charisma en de betoverende bariton van de zanger en de vanzelfsprekende muzikaliteit van de groep, dromen we weg op een golf van vrolijke melancholie. Een in verbazend grote getale toegestroomd publiek lust er eveneens pap van en zingt uitbundig mee met “One Day Like This”, tevens laatste nummer van een veel te korte set.

Even een ommetje langs The Streets, die we na twee matige albums en enkele gênante dronkemansconcerten eigenlijk al lang hebben afgeschreven. Maar we zijn er nu toch en kijk: Mike Skinner heeft er zowaar zin in, blijkt bloednuchter en krijgt de voetjes al meteen vlot van de vloer met de opgenaaide opener “Let’s Push Things Forward”. De geezer, die zich op Everything Is Borrowed met matig succes waagde aan groteske beschouwingen over zaken als liefde en religie heeft vandaag zowaar zijn innerlijke straatpoëet teruggevonden. Geen hoogdravend gedoe, wel tot het extreme toe opgefokte versies van topsongs als “Fit But You Know It” en “Weak Become Heroes”.

Skinner is geweldig in vorm, wat hij onder andere demonstreert door een hoop geintjes uit te halen met het publiek. Hij stelt een toeschouwster in bikini voor om samen te strippen, gilt “Nice tits!” naar een andere en laat de hele Marquee “I love you” zeggen tegen elkaar. Hij maant zijn publiek aan tot kalmte (“go to sleep …”) en schreeuwt het vervolgens wakker (“… now wake up!”) met “Don’t Mug Yourself”. Dat werkt zo goed dat hij het trucje tegen het einde van het optreden herhaalt: eerst moet iedereen gaan zitten, alleen maar om daarna volledig loos te gaan op een speedversie van “It’s Too Late”. Als die geweldige brok emotie overloopt in een al even heftig “Blinded By The Lights” heeft Skinner het pleit helemaal gewonnen en duikt hij nog even het publiek in. Yep, dit was old skool Mike Skinner, we hebben hem verdomme gemist.

Ondanks een foutloze setlist vol onvervalste krakers als “Hunting For Witches”, “Flux”, “Banquet”, “This Modern Love” en “Like Eating Glass”, staan we bij Bloc Party voor het eerst sinds lang niet helemaal omver geblazen te wezen. Was het de hitte? Die ene keer teveel? Of zitten we gewoon spijkers op laag water te zoeken? Want het knalde. “So Here We Are” en “This Modern Love” zijn meer dan ooit uitstekende festival-anthems die vlot doorheen het publiek gonzen. En zanger Kele Okereke is eindelijk de frontman die zijn groep verdient: zelfverzekerd, relativerend en knuffelbaar tegelijkertijd, wanneer hij “Signs” opdraagt aan Eva die een bord “Thank you Bloc Party” omhooghoudt en iets later zijn lach niet kan inhouden al hij “Here’s another one from the hit machine” zegt. Heerlijke band, meer dan goed optreden, maar niet de pletwals die vorig jaar in Pukkelpop over ons heen denderde, al zinderde het house-achtige pianoriedeltje van de geweldige nieuwe single “One More Chance” nog uren na in ons hoofd.

The Killers zijn dan weer overtuigender dan vorig jaar op Pukkelpop. Het is te zeggen: gesteund door een hoop decorstukken, een lichtshow recht uit thuisstad Las Vegas, vuurwerk en een onomstotelijk geloof in hun eigen belangrijkheid voor de muziek, spelen ze Werchter moeiteloos plat. 50 000 man gaat (laten we hopen ironisch) totaal uit zijn dak op “Human”, en blijft dat vervolgens ongestoord doen tot de groep het podium verlaat.

Neen, wij vinden dit niet geweldig. Ja, we vinden ook dat de heren een vijftal gewèldige songs hebben. Maar moeten die ook live overstuurd luid klinken? En dat meezingen van “I’ve got soul, but I’m not a soldier”: is dat gemeend? (Wij zongen voor de gein op aanraden van Bill Bailey het even nonsensicale “I’ve got ham, but I’m not a hamster” mee. Làchen!).

Naast die vijf geweldige songs en het flirten met de zelfparodiëring, is The Killers’ belangrijkste verdienste dat ze zoveel mensen hebben laten geloven dat ze ook de beste band ter wereld zijn. Het is muziek als fastfood: het kan immens smaken en zolang je weet dat het maar fastfood is, is er niks aan de hand, maar vergeet niet dat er ook lekkere én voedzame dingen zijn. Maar misschien moeten we gewoon lid worden van de “allergisch voor The Killers”-facebookgroep die blijkbaar gezellig op het persterras zat en vanaf nu onze mening over die groep enkel nog in besloten kring uiten. We willen echt geen ruzie met de tienduizenden die deze Vegas-kitsch het einde vinden.

Dan liever Coldplay, die met dezelfde leegheid en bombast flirten, maar sinds Viva La Vida weer aan de juiste kant van de grens staan. Geen idee wat ze met “An Die Schöne Blaue Donau” te maken hebben en waarom ze er in godsnaam mee geassocieerd willen worden door dat als introtape te gebruiken, maar ook hier: u vond het geweldig en brulde lustig mee. En al vallen er kritische kanttekeningen te maken, zat er bij wijlen te weinig vaart in de set en leek Chris Martin er muzikaal niet altijd helemaal bij, Coldplay mag verdiend afsluiten en zet die eer ook om in een bijna uitstekend en hartverwarmend concert. Zo’n ‘Oh-ow-oow’ is zeker even grote onzin als de meeste teksten van The Killers, maar aangezien het geen woorden maar klanken zijn, is dat net iets minder erg. En jawel: dan krijgt ook zo’n stoere rockjournalist kippenvel tot achter de oren. Dat was toch weer van Elbow geleden.

En daarmee had Coldplay zijn — naar verluidt! — anderhalf miljoen euro binnen, terwijl in de Marquee Lady Gaga voor even grote Donnamuziek zorgde. Zeiden we Donna? We bedoelen natuurlijk MNM: hitjes voor het volk, ingekleed met veel chichi en plastiek, en een beetje een zielig “maar ik ben een geschoolde artieste! Kijk mijn nummer werkt op akoestische piano!”-moment toen hitje “Poker Face” tot een kwartier werd uitgemolken; want vanzelfsprekend werd de versie-mét-beats ook afgeleverd door een Gaga in een plastieken niemendalletje, een paar dansers, en een hoop suggestieve poses. Sjah, de nieuwe Madonna, het zal wel, maar wij zaten daar niet op te wachten. “Just Dance” zong ze eerder al, maar het duurt tot zondag voor een oude bluesrot ons echt aan het shaken krijgt. Maar daarvoor moesten wel eerst nog dag drie overleven.


Dag drie :: FC De Kampioenen

Dag drie, de routinedag: we kijken niet meer op van een zoveelste chirorokje, een Hollander of de penetrerende geur van een joint. Dronken wangedrag op de wei, dat trok al eens onze aandacht, maar toch ook wel wat muzikaal lekkers. Bijvoorbeeld:

“Nog geen schaamhaar maar wel al een gitaar”, zeurt ons gezelschap: nog maar enkele minuten op de zonovergoten wei, en daar heeft een zestienjarige al het podium veroverd. Hoort die niet ervoor? Niet als het van de aanwezige bakvissen afhangt, die Jasper Erkens tijdens “Waiting Like A Dog” naar de hemel schreeuwen. Erg fijn van de jongen, maar wij blijven vinden dat hij beter beschermd zou worden tegen zijn jonge zelf, om zo rustig de tijd te krijgen te groeien. Aan zijn versie van Nick Drakes “Black Eyed Dog” houden wij toch een rare nasmaak over.

Hoog tijd dus voor het eerste pintje van de dag in afwachting van ander volwassen schoon volk. Vrouwelijk schoon volk zelfs: Regina Spektor die vooral plukt uit haar grote doorbraakplaat Begin To Hope. Het obligate koppel “Fidelity” en “Samson” werken op dezelfde manier als het volksmennende paar brood en spelen. Spektor trotseert een afgeladen Marquee daarvoor helemaal alleen, maar voor de nummers van haar — overigens uitstekende — nieuwe plaat Far laat ze zich nog eerst begeleiden door cello, viool en drum. En dat werkt wonderwel: een ontroerend “Eet” raakt harten, het mechanische “Machine” maakt ze opnieuw uitzinnig en single “Laughing With” blijkt ook op een festival overeind te blijven. Nog het vermelden waard: “Bobbing For Apples” dat met zijn “Someone next door is fucking to one of my songs” voor een humoristische noot tussen al die ingetogenheid zorgt.

En dan gaat het testosterongehalte even door het Marqueedak. Met reden: Yeah Yeah Yeahs gaat dadelijk stomende schoppen uitdelen in de keet en daar heeft frontvrouw Karen O, gehuld in een aandachttrekkend turkooizen legging, veel mee te maken. De groep doet voor deze tour een beroep op levende legende David Pajo als toetsenist, om af te wisselen tussen snoeiharde rocksongs als “Phenomena” en meer dansbare nummers als “Shame And Fortune”. De norm blijft vooral hard en luid, waardoor de zang van O soms wat bedolven wordt en het veel rustigere “Skeletons” er in het midden van het optreden uiteindelijk wat de vaart uithaalt. Maar dat is muggenziften: Yeah Yeah Yeahs bracht een erg opzwepend optreden.

Om eerlijk te zijn: wij waren Limp Bizkit al een beetje vergeten, maar vijf jaar stilte was blijkbaar niet genoeg. U stond er massaal en u kende die puberale teksten nog steeds uit het hoofd. Toegegeven, de loodzware riffs die de volledig gebodypainte Wes Borland uit zijn gitaar perste, waren af en toe reuzeaanstekelijk, maar als Fred Durst zijn bek opentrekt, is het onherroepelijk om zeep. Jawel; goed tegen zijn veertigste aanlopend (was dat sikje grijs, or was it just a trick of the light?) loopt zijne potsierlijkheid nog steeds rond in het highschooluniform van de jaren negentig met een baggy short en even ruim zittend T-shirt. En laten we het rode petje niet vergeten, alstublieft. Dat vooral niet. Zucht. Mag het nu opnieuw voor vijf jaar de kast in? Please?

Alweer een frisse pint — afkoelen was nodig — en naar het hoofdpodium voor het besef dat Franz Ferdinandlangzamerhand het FC De Kampioenen van dit festival blijkt: er wordt geteerd op herhaling maar er blijft wel steeds een publiek voor. Dat krijgt dan ook wat het verwacht: Alex Kapranos en co nemen ons mee van single naar single en zelfs al zijn we sommige nummers echt beu gehoord; resistance is useless. Eventjes zonder morren alle neuzen in dezelfde richting als de massa op de wei, want meezingen en -klappen is hier voor één keer wel toegestaan.

Met opener “Walk Away” schieten de Schotten traag uit de startblokken, maar “Matinee” drijft het tempo op. Gitarist Nicholas McCarthy lijkt alles strak in banen te leiden en bouwt een feestje rond publiekslievelingen als “This Fire”, “Do You Want To”, “Take Me Out” en “Michael”. Wie er in slaagt zulke succesvolle singles te schrijven, kan bijna niet anders dan het publiek herhaaldelijk te geven wat het wil. Maar zo evident lijkt het niet: nieuwe nummers als “Ulysses” en “What She Came For” lijken op het restresidu dat achtergebleven is in een zeef waar we net alle vloeistof door gegoten hebben, maar die rest is helaas net niet genoeg om aan een nieuwe invulling van de formule te voldoen. Dit was Franz “we doen nog es een festivalleke” Ferdinand en dat is ook wel leuk, maar we doen er goed aan de houdbaarheidsdatum niet uit het oog te verliezen.

Dat er ongeveer geen hond geïnteresseerd was in Mogwai hebben de Schotten alleen maar aan zichzelf te danken: net dat rotslecht optreden te veel gegeven de laatste jaren, en hadden we al niet collectief besloten dat postrock een stinkend kadaver was? U had vaaglijk ongelijk, want er waren levens gebeterd: dwars doorheen het kabaal van Franz Ferdinand werd deze wedstrijd Schotland-Schotland op punten gewonnen door de Marquee. Al is daarvoor vooral het oude werk nodig. Het nog steeds erg doorleefde “Yes, I Am A Long Way From Home”, bijvoorbeeld, of “Helicon 1”. En als het allemaal net iets te ingetogen aan het worden is barst “Summer” loeihard uit. Jawel; muziek kan heerlijk zijn, en Mogwais revanche verdient dat predicaat. Opmerkelijk trouwens: dit moet het eerste Mogwaiconcert van vele zijn dat de groep noch op rockmonsters “Fear Satan” of “My Father, My King” terugviel. Oude gewoonten sterven traag, maar deze moest er dan toch aan geloven.

Als Leonard Cohen niet op Hermans jaarlijkse tuinpartijtje kan komen (hij speelt die avond zelf al in het Sportpaleis), stuurt hij zijn even goddelijke gezant wel naar de wei. Eindelijk is het langverwachte moment dat Nick Cave & The Bad Seeds het podium betreden aangebroken (zijn we fan? Ja; we zijn fan. U niet dan?): dit keer geen Grinderman, dit keer geen snor, dit keer zelfs geen Mick Harvey. Een preekstoel ontbreekt vooralsnog op het podium maar wanneer hij een scherp “Tupelo” inzet, blijven Caves gedragingen nog steeds schrikwekkend bezield. Gods oppervleermuis grijpt vooral naar de verwachte hoogtepunten uit zijn carrière als “The Mercy Seat”, “The Ship Song” en “The Weeping Song”, maar echt indrukwekkend zijn het aan PJ Harvey opgedragen “Henry Lee”, het vuile “Stagger Lee” en bis “Lucy” dat godzijdank door Cave zelf nog es werd bovengehaald. Dit is pure verwennerij door één van onze favoriete Australiërs die zo te zien in degelijke vorm is, en God mag weten waar we dat aan verdiend hebben; zulke brave zieltjes zijn we nu ook weer niet, want zie, onze hebzucht neemt al gauw de overhand: we verlangen alweer naar nog meer en nog ietsje beter.

Heiligschennis! Kings Of Leon mogen op na Nick Cave en ergens voelt dat zeer fout aan. Maar wanneer de vier Followills de wei plaat doen gaan met kleppers als “Sex On Fire” en “California Waiting”, mag duidelijk zijn dat ze hun status van headliner op deze derde Werchter-passage meer dan verdiend hebben. Het viertal speelt met zoveel kracht en overtuiging dat de wisselvalligheid van de laatste plaat graag vergeven wordt.

Fuck Madonna trouwens: de leukste vijftigplusser die deze zomer het gras van Werchter zal betreden is eightieslegende Grace Jones. La Jones presteert het om veertig minuten te laat uit de lucht te komen vallen, mét hanenkam en een cool die de thermostaat in Antarctica nog een graad of twintig lager draait. De onweerstaanbare hits — “Strange”, “La Vie En Rose” , “Pull Up To The Bumper” en de geweldige Roxy Music-cover “Love Is The Drug” — volgen elkaar op terwijl het gebeente (Waren wij enkele weken geleden onder de indruk van die van Duffy? We herzien onze mening.) van outfit wisselt als een ander van gitaar. Boys Noize of 2ManyDjs? Nee bedankt, wij hebben genoeg gedanst voor een hele nacht. Slaapwel en tot morgen!

Dag vier :: Wree schaamtelijk

Alsof het allemaal nog niet genoeg was, staat er nòg een hete dag op het programma, die muzikaal evenmin verlichting belooft. In de verte dienen zich twee headliners aan waarover men naarstig kan discussiëren of ze — voor het eerst of voor een zesde maal – wel op Rock Werchter thuishoren. Maar eerst moet er nog een hele dag vol zware metalen en springerige danspop doorploegd worden.

Mastodon stelt al even na de middag orde op zaken. Wie na drie dagen geen flinke brok progressive metal aankan, was beter in tent of bed blijven liggen. Onverbiddelijk wordt “Oblivion” over het publiek heen gestort, de indrukwekkende opener van Crack The Skye — nu al een van onze albums van het jaar. Mastodon ploegt zich geconcentreerd en zonder veel franjes doorheen een set met voornamelijk songs uit hun laatste twee albums. Hoogtepunt is “The Czar” dat gedurende elf minuten laveert tussen hardcore, grunge en classic rock. Mastodon speelt virtuoos snoeihard, maar met oog voor nuance, dynamiek en melodie. Hulde!

Met brede grijns en de vermoeidheid intussen stevig onder controle, benen we — wild luchtsolerend — richting Marquee voor het ranzige hiphopfestijn dat De Jeugd Van Tegenwoordig heet. P. Fabergé, Willy Wartaal, Vieze Fur en de Neger Des Heils bouwen een stevig feestje, daarbij geholpen door u, die de vermoeidheid plots ook helemaal vergeten bent. U laat zich horen, houdt de handen hoog en schudt (indien mogelijk) met die kut, terwijl van op het podium vette en cheesy beats elkaar afwisselen en de grootste onzin over u heen wordt gestort. Feest!

Dachten wij trouwens dat blues eerder iets was voor Swing Wespelaar twee dorpen en evenveel maanden verder, dan hadden we het serieus mis. Oude knar Seasick Steve doet het met drie snaren en een drummer van de Animalschool en pakt een bakkende en stomende wei (die klotezon) in met straffe songs en een geweldig hillbilly-accent (in gedachten horen we hem Cletus-gewijs om zijn Brandine roepen). Een stomend “Diddly Bo” — gebracht op de eensnarige Diddley Bow — is een hoogtepunt dat ons meer doet dansen dan 2ManyDJ’s de dag vooraf. En omdat een grijze bok altijd wel een jong blaadje lust, haalt hij plots een glunderend meisje uit het publiek dat de ballad “Walking Man” toegezongen krijgt.

Jammer genoeg voor de snoeper heeft ze meer oog voor de rest van de wei dan voor hem. Vrouwen? Dat het ondankbare wezens zijn, meneer, en Seasick eindigt dan ook maar met een lang rammelend bluesverhaal over hoe hij als dertienjarige besloot zijn helse stiefvader achter zich te laten en aan een zwervend leven begon. “Ik speelde gewoon voor de muntstukken in mijn hoed. Zie me hier nu zitten”, monkelt hij. Het publiek blijft maar het refrein van dat “Dog House” zingen, terwijl de man en zijn drummer afscheid nemen. Wij? We hadden het nooit gedacht, maar we geloven de blues plots een stuk meer.

The Mars Volta heeft er naar goede gewoonte veel zin in en zanger Bixler-Zavala vindt zoals gewoonlijk dat het publiek niet enthousiast genoeg is. “Oh you are awake? We thought you were sleeping, and we’re just having a party among ourselves up here. So is anyone listening to us?” (publiek juicht) “Oh well, don’t worry, your favorite bands will be on shortly”. Dat Bixler-Zavala’s voornaamste verdienste in de band is om op erg geïnspireerde wijze de meer hysterische tics van Robert Plant te bezigen, terwijl een bende virtuozen achter hem de sterren van de hemel speelt, zal wel enige frustratie met zich meebrengen. Maar toch: dat soort arrogantie zal de band zeker geen nieuwe fans opleveren. Als we Bixler-Zavala gewoon negeren, speelt The Mars Volta toch nog een erg geïnspireerde set vol psycho-blues-prog-metal (waarvan we de titels niet gaan opzoeken, omdat ze te belachelijk zijn), die ons ertoe aanzetten om die albums en zeker hun nieuwe eens te herbeluisteren. Dat de aanvankelijk vrij lege weide tijdens het concert meer en meer volliep en u met zijn allen ondanks en kleine zondvloed ook bleef staan, doet vermoeden dat we daar niet alleen in zijn.

Ook Lady Linn & Her Magnificent Seven houden het ondanks een tentzeil niet droog. Net als bij The National vorig jaar, drupt het ook op het podium. “Wree schaamtelijk” indeed, maar La Linn laat het niet aan haar hart komen en staat zo aandoenlijk te stralen tussen haar zeven muzikanten en nog wat extra strijkers dat het gewoon mooi is. Na blues, ook nog swingjazz op Werchter? What’s next? Milk Inc? Maar deze kleine diva doet dat goed, met alleraanstekelijkste versies van nummers als “I Don’t Wanna Dance” van Eddie Grant en het eigen, geweldig swingende “A Love Affair”.

Black Eyed Peas mag ook een hiphopfeestje bouwen, met meer toeters en bellen dan de Jeugd Van Tegenwoordig. Meer hitjes ook, maar vooral ook een stuk afgelikter. Aangenaam om naar te kijken, inclusief goeie en niet-gratuite Michael Jackson-hommage, maar allemaal net dat tikje te Amerikaans om echt te bekoren. Het publiek lust er duidelijk pap van en verdient na drie dagen hitte, een stortbui en een hoop zware metalen wel een verzetje.

Ghinzu komt uit Brussel, is van daaruit naar het zuiden toe aardig populair maar in Vlaanderenland schromelijk miskend. Er stond dan ook niet zo ontzettend veel volk in de Marquee. De set opent met het meeslepende “Mother Allegra” dat vergelijkingen met The National oproept. Op album weet Ghinzu niet altijd even hard te boeien, maar live komt de vreemde mix van glam, pop, rock en luisterliedjes geweldig tot zijn recht. Halfweg de set blijken er plots problemen met het keyboard te zijn, waardoor de groep noodgedwongen tien minuten van het podium moet. De band laat het echter niet aan zijn hart komen en blaast ons — wanneer de techniek weer werkt — pas echt weg met een verschroeiende finale. “Kill The Surfers” eindigt in een totaal pandemonium. Waarde landgenoten: Ghinzu verdient uw aandacht meer dan het gros van wat tegenwoordig als geloofwaardige Vlaamse artiest door het leven gaat.

Hebben we daarentegen ondertussen een keer of vier teveel gezien: Kaiser Chiefs. Ricky Wilson was voor de gelegenheid wat afgevallen, maar voor de rest was het stramien gekend: na ongeveer drie nummers zit hij zowat in het publiek, een kwartier later hangt hij ergens in de stellingen rond het podium. Ook muzikaal moeten we ook na een derde plaat geen verrassingen verwachten. Kaiser Chiefs moet het hebben van een goedkope en platte update van de typisch Britse hoempa-have-you-seen-that-man? van The Kinks die alle subtiliteit en finesse ontbeert. Als Blur echt terug is, worden Kaiser Chiefs met andere woorden helemaal overbodig. U vond het niettemin allemaal dolletjes, wij voelden ons opnieuw de grumpy old man van dienst. “Everything is average nowadays” klinkt het twee nummers ver in de set. Geef ons de pap in de mond, anders, Ricky. Een Kaiser Chiefsembargo voor de komende jaren dringt zich op.

“Wave Goodbye 1989-2009” heet de tour die Nine Inch Nails naar Werchter brengt en dat is geen woord gelogen: Trent Reznor geeft de pijp aan Maarten (wat ga je daar mee doen, van Meer?), hangt zijn jas aan de haak, gooit de handdoek in de ring en stopt er ook gewoon mee na dit laatste applausrondje. “This one’s on me”, was de boodschap toen hij laatste album The Slip gratis weggaf op zijn site, maar ook deze is op zijn kosten: van bij dubbelslag “Terrible Lie”-“Heresy” is dit optreden meteen een goeie mep op de smoel. En Reznor blijft putten uit het glorieuze hoogtepunt The Downward Spiral. Een beukend “March Of The Pigs” en een bijna sexy “Piggy” volgen. En zo gaat dat maar door tot de klassieke en vandaag bloedmooi gespeelde afsluiter “Hurt”. Wat een traktatie; wat een concert.

En hoezee, daar staat Metallica weer voor hun jaarlijkse passage op een Belgisch festivalpodium. Het podium ziet er bijna hetzelfde uit als op Pukkelpop, we verwachten dan ook dezelfde gezapige metalact die op hoog volume enkele klassiekers over ons heen blaast, maar daarbij her en der steekjes laat vallen, natuurlijk zonder de drive van hun beginjaren (en hoe kunnen wij, snotjongens dat eigenlijk weten?). Maar zie: Metallica speelt scherper dan we hen ooit hoorden.

Een hele resem classics (“Blackened”, “Creeping Death”, “One”) passeren in het eerste uur, tot de boel dankzij enkele nieuwe songs als een soufflé ineen zakt. Het nieuwe materiaal is live nog vermoeiender, langdradiger en stuurlozer dan op plaat. Het lijkt of er een Metallica-parodie op het podium staat. Oude krakers “Welcome Home (Sanitarium)” en “Sad But True” lijken het zaakje weer op de sporen krijgen, maar dan mogen Roberto Trujillo en Kirk Hammett nog even soleren en volgen bij wijze van doodsteek nog twee tracks uit Death Magnetic.

Net als we de handdoek in de ring willen werpen, roepen Hetfield en de zijnen ons terug met het onverwoestbare “Master Of Puppets” om ons daarna definitief naar huis te jagen met een drammerig “Dyers Eve”. En zo missen we een ongetwijfeld mooi “Nothing Else Matters” en een indrukwekkend “Enter Sandman”, maar die hadden we vorig jaar al gezien op Pukkelpop. En het jaar voordien op Werchter. Een groep die enkel nog kan scoren met materiaal van minstens 20 jaar oud, mag — hoe grensverleggend dat oude materiaal ook is en goed ze dat ook brengen — zo langzaamaan bij de nostalgie-acts geteld worden. En zolang Paul McCartney, David Bowie of David Gilmour Rock Werchter niet hebben afgesloten, mag Metallica wat ons betreft ook weer wegblijven.

Conclusies? Dat er geen zijn misschien. Werchter was Werchter dit jaar: een ratjetoe van de best scorende groepen die naar een stuk groen in het landelijke Rotselaar te lokken waren. Brokken van de affiche waren van het beste dat Schueremans al uit zijn hoed toverde, maar al te vaak was het weer gapen bij de zoveelste rerun van een herhaling van een remake. En dan was er ook nog iets met een inlands groepje dat een paar bekende hitjes heeft. U ging belachelijk hard uit de bol. Mogen we aannemen dat dat om te lachen was?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − 9 =