Helios :: Caesura

Hoe de winterkou optimaal te trotseren? Thermisch ondergoed van Duitse makelij aantrekken, liters hete soep binnenlepelen en de centrale verwarming in een innige omhelzing nemen helpt, maar nog veel probater is een parallel universum binnenstappen waar de zon altijd schijnt.

Schepper van het koninkrijk waarin nooit gebrek is aan de talrijke weldaden van de zon, is Keith Kenniff, het natuurtalent dat ons al meermaals in vervoering heeft weten te brengen. De multi-instrumentalist excelleert als Goldmund in delicate pianopareltjes en grossiert in zijn andere eenmansproject Helios haast achteloos en vanzelfsprekend in het soort warme elektronica dat je vergeefs zoekend naar woorden achterlaat, maar in ruil wel het gelukzalige gevoel geeft eindeloos weg te zinken in een berg rijkelijk gewatteerde kussens. Het is dan ook niet toevallig in de bedstee, met de luiken en ogen dicht, dat de subtiele schakeringen die zich gloedvol aftekenen in de stratosfeer waarin Helios opereert, het beste vallen waar te nemen. Zo volmaakt vredig zweeft Kenniff door het zwerk, dat het niet de laatste keer zal zijn dat we bij een trip door ’s mans kroonjuweel Eingya (2006) in de waan zijn voortijdig het aards paradijs te hebben bereikt. En dan nog wel vòòr de zondeval.

Was op het vorige album Ayres (2007) de introductie van een zingende Kenniff niet zo’n gelukkige keuze — en dat is nog mild uitgedrukt — dan speelt hier het instrumentarium weer tot ieders tevredenheid soloslim. Caesura zoekt duidelijk weer aansluiting bij de instrumentale voorgangers Unomia en Eingya, maar hoewel de elektronica daarbij vergeleken hier merkelijk meer op de voorgrond treedt en de songs zich een stuk kloeker tonen, beroert Kenniff zijn instrumenten (hij speelt zelf gitaar, piano en drum) nog steeds zo zacht en subtiel als legde hij een boreling in de wieg. Uit alle nummers spreekt zo’n ontzettende vredigheid dat vergelijkingen van Caesura met een bucolisch Arcadia nooit veraf zijn.

Het is dan ook op kousenvoeten dat de reis naar "Hope Valley Hill" wordt aangevat. De zo kenmerkende etherische gitaarmotiefjes van Kenniff vervlechten zich in de openingstrack aanvankelijk evenwichtig met zacht tikkende percussie, maar durven zich gaandeweg individueler en uitgesprokener te tonen. Dat blijkt verderop wel meer het geval, waardoor de songs uiteindelijk een stuk dichter langs het aardoppervlak scheren dan we van Kenniff gewend zijn. Zo kunnen de elektronica en gitaren die hun tandjes in "Backlight" en "Mima" ontbloten geen echte stoorzenders worden genoemd, maar ze zouden de poreuze heliumballonnen die op de vorige platen werden opgelaten wel met een klap uiteen doen spatten. Ook latent ijl gezang durft naar het einde toe uit de nevelen tevoorschijn te komen en de contouren van de omgeving tekenen zich gaandeweg steeds scherper af.

Dat neemt niet weg dat de panorama’s die Kenniff met veel oog voor details schetst, zich nog steeds presenteren als pastorale poëzie. De songs krijgen ook rustig alle ruimte om te ademen, in "Glimpse" en "The Red Truth" zelfs zo veel als een open vlakte in een bos waar niets meer dan het gebonk van de eigen hartslag zich tussen de stilte probeert te wurmen. Misschien wel het mooiste moment van de hele plaat zit op die manier verscholen in "Come With Nothings": kalm pulserende percussie kondigt een moment van bezinning aan, waarna de gitaar glashelder het rijk voor zich alleen krijgt en dat is, getuige de glimlach die steevast rond onze mondhoeken opkrult bij deze passage, zomogelijk nog adembenemender dan de panorama’s die tot dusver voorbij zijn gegleden.

Wanneer de laatste noot is weggestorven, noopt al het moois dat voorbij het geestesoog trekt maar tot één wens: opnieuw vertoeven in het parallelle universum waar Helios heerst. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Opgepast dus voor onze stralingswarmte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × drie =