Coldplay

Sportpaleis,
Antwerpen, 4 oktober 2008

Er is wat met Coldplay. In de jaren tussen
meesterwerk A Rush Of Blood To The Head en opvolger X&Y
is de band van wat beschaamd en naar horen zeggen zelfs maagdelijk
Britpopgroepje uitgegroeid tot een zelfzekere wereldband die in
tijden dat het stil is rond U2 al eens als de grootste ter wereld
wordt voorgedragen. Het hoeft altijd voorzichtigheid, en eigenlijk
is er helemaal geen reden toe, om met dergelijke termen te gooien,
maar dat Coldplay bigger than life is geworden – om er nog maar
zo’n holle snede tegenaan te smijten – valt al enkele jaren
nauwelijks nog te ontkennen.

En toch. Pas enkele weken geleden bereikte de Londense band (Will
is uit Southampton, dat vergeten we niet licht) voor het eerst de
top in de charts met ‘Viva La Vida’. Wat raar voor een band die
‘Yellow’ en ‘In My Place’ uitbracht en met ‘Fix You’ zowat het
toppunt van haar populariteit bereikte, maar desalniettemin een
mooi feit, vermits de titeltrack van Coldplay’s vierde een absolute
wereldsong is, zoëentje dat maar om het lustrum verschijnt. Maar
over ‘Viva La Vida’ dadelijk meer.

Coldplay is helaas eigenlijk al jaren te groot geworden voor zalen
als het Sportpaleis. Bij hun vorige doortocht, bijna dag op dag
drie jaar geleden, verkochten Martin en co. de zaal in zes luttele
minuten uit, en ook nu was het alle hens aan dek om een kaartje te
bemachtigen. Het siert de band dat ze geen 90 euro vragen voor een
ticket – veeleer blijven ze rond hun echte waarde zweven – al mag
ook hier geen twijfel ontstaan: Coldplay is vandaag veel meer dan
de vier jongens die zeemzoete liedjes pingelen. Het is een ware
multinational geworden, compleet met Coldplaybekers voor 20 euro
per stuk. Maar ook dat weet de groep weer in haar voordeel om te
zetten. Als je ziet met welk plezier Martin, Buckland, Berryman en
Champion op het podium staan – wij geloven geen seconde dat dit
gespeeld is – vergeet je hoe groot de opzet en het bedrijf Coldplay
zijn.

Ook de scepsis die de band na de release van zowel X&Y als
Viva
La Vida Or Death And All His Friends
(dat moest er even uit) te
beurt viel is mijns inziens volledig misplaats. Nee, Coldplay is
Radiohead of Kraftwerk niet, dat pad hebben ze lang
geleden verlaten. Coldplay is een band die hitgevoelige maar daarom
niet minder goede muziek maakt. Daar kan je even goed niet van
houden, maar het is wel de kwaliteit die de vier jongens hebben.
Talent, geen marketingstrategie.

Ook gisteren bleek weer hoe verspreid de Coldplayschare is.
Nauwelijks tot volle wasdom gekomen jongeren zaten broederlijk
naast bijna afgestudeerden uren te wachten aan de ingang, we
spraken laaggeschoolden en topmanagers, deze band laat niemand
onberoerd. Net omdat ze zo warm en eerlijk is, tijdens die pakweg
honderd minuten dat ze op het podium staat. En wat voor een honderd
minuten.

Als intro werd wat hiphop afgewisseld met Tsjaikovski en het ervoor
geschreven ‘Life In Technicolor’. Het moment waarop Coldplay achter
het wat wazige gordijn in een vrij sober aangeklede zaal verscheen,
was er een waarop de 15.000 uren hadden zitten wachten, en dat was
er aan te zien. Dat werd afgetrapt met een niet eens zo exquise
versie van ‘Violet Hill’ merkte op dat moment geen mens op. Goed
nummer hoor, maar niks vergeleken met de twee volgende. Zowel
‘Clocks’ als ‘In My Place’ werden werkelijk fantastisch gebracht.
De band heeft die nummers na jaren touren in de vingers en varieert
naar believen. Maar geen enkele variatie miste doel of was een
degeneratie van het de oorspronkelijke albumversie. Bij ‘Speed Of
Sound’ – nog zo’n song om alles wat je maar hebt af te likken –
werd vrij dicht bij het origineel gebleven, geef ze eens
ongelijk.

Enige minpuntje aan de avond was het feit dat sommige nieuwe
nummers, net zoals op plaat, iets te licht uitvallen om onder het
label ‘Coldplay’ gebracht te worden. Dat juk kon de band op het
podium nooit helemaal van zich afwerpen. ‘Cemeteries Of London’ en
‘Lovers In Japan / Reign Of Love’ zijn best aardige nummers,
‘Strawberry Swing’ en ’42’ zijn dat al veel minder. Als je er dan
nog een flard tekst als ‘those who are dead / are not dead /
they’re just livin’ in my head’
tegenaan gooit, verpest je
toch een beetje het cachet dat het nummer eventueel had kunnen
meekrijgen. Tekstueel wordt Martin nooit een topper, maar doorgaans
weet hij dat best goed te verpakken.

Op ‘Fix You’ bijvoorbeeld. Ook hier wat flauw gewemel over ‘if
you’ll never try / you’ll never know’,
maar een dusdanig sterk
nummer dat je alles vergeet. Hornby schreef ooit dat je van die
nummers hebt die meer zijn dan de som der delen, ‘Fix You’ moet
zowat het product ervan overtreffen. De heerlijke lampact was er
dan wel niet meer bij, de manier waarop Martin het podium en
publiek bespeelt, laten weinig te wensen over.

Dat Coldplay in de loop der jaren ook mindere nummers heeft
uitgebracht moet je de band niet leren. Vol zelfkennis werden ‘God
Put A Smile Upon Your Face’ en ‘Talk’ quasi live geremixt in ware
Kraftwerkstijl, ‘The Hardest Part’ kreeg een solo-performance op
piano mee. Zelfkennis is een kwaliteit, de ingeving was meer dan
goed, maar het hoogtepunt van de avond en het volledige
concertlustrum kwam net daarna. ‘Viva La Vida’ oversteeg deze
wereld en bracht 15.000 man in een ware trance. Vier minuten lang
gooide Coldplay een laken over de zaal die iedereen die er bij was
niet rap vergeten is. Het nummer zelf is, zoals gezegd, een
curiosum hors catégorie, maar wat ze er live van maakten sloeg
werkelijk alles. Frontman Chris Martin die als een bezetene het
podium dolholt, even later het publiek bezwerend als was hij
Ayatollah Khomeini in persoon was dit het summum. Een vol
sportpaleis dat lijf tegen lijf staat te dansen, minutenlang het
nummer nascanderend, kippenvel over heel het lijf. Er werd wat
bruusk afgebroken met ‘Lost!’, een nummer dat wat verloren ging in
de waan van het moment. Het publiek werd opnieuw wakker geschud
toen de band zich hoog in het stadion bevond om een akoestische
versie van ‘The Scientist’ ten berde te brengen. Wij zweren bij de
pianoversie maar knikten toch instemmend. Nadat ook drummer Will
Champion zich even voor de leeuwen gooide met ‘Death Will Never
Conquer ‘, nam Coldplay een korte pauze om snediger dan ooit
tevoren terug te keren.

Enkel zo kan je ‘Politik’ namelijk omschrijven. Het is de band op
haar best, met een nummer dat live nog steeds hetzelfde is als het
dat jaren geleden was, enkel omdat het zo’n steengoede song is.
Tijdens ‘Lovers In Japan’ werd daarna een esthetisch erg mooi
effect gecreëerd door een gordijn van fluorescerende vlinders over
de massa uit te kieperen, afgewisseld met zwart-witbeelden van
enkele Japanse wetenswaardigheden op het grote scherm en dito
afbeeldingen op een klein televisietje op het podium. Het volgens
ondergetekende uiterst sterke ‘Death And All His Friends’ leek de
avond te gaan besluiten, maar ook nu besloot Coldplay om er nog een
einde aan te breien. Het was het laatste optreden van de tour, en
als toemaatje werd voor het eerst een nieuwe song ten berde
gebracht. ‘Glass Of Water’ heet het kleinood, het neigde wat naar
R.E.M., is geïnspireerd door Tinariwen, was van het stevigste dat
Coldplay in de kas heeft en heeft zeker potentieel om een
volwaardige albumtrack te worden. Dat ‘Yellow’ besloot bracht enkel
meer spijzen op het dan al door enkel volgevretenen bijgewoonde
banket.

Zoals elke mastodont heeft ook Coldplay elk detail een hele tour
lang uitstekend uitgekiend. Het sluitstuk vanavond was goed
anderhalf uur de best mogelijke show die niks anders deed dan
Coldplay’s reputatie keihard bevestigen. Voor zij die ervan houden,
de Londenaars hebben Engeland-Ierland alvast op 1-0 gezet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 3 =