Jenny Lewis :: Acid Tongue

Het openingsnummer draagt een grote verantwoordelijkheid. Het is de binnenkomer, het visitekaartje, het trekt de aandacht, zet de sfeer, bepaalt de mood, sleurt je de plaat binnen. It better be good dus. Helaas, "Black Sand" is veruit de zwakste song op Acid Tongue, de nieuwe van Rilo Kiley-frontvrouw Jenny Lewis. Het is een drammerig, te hoog gezongen stukje rijmelarij ("Black Sand" / "Thailand", anyone?). Het goede nieuws: het is ook het kortste nummer op Acid Tongue.

Meteen daarna volgt "Pretty Bird", het startschot (in de roos!) voor tien mooie variaties op het country-thema. Want vergeef ons het negatieve begin (de openingsalinea is de binnenkomer, het visitekaartje, […], sleurt je de recensie binnen): Acid Tongue is wel degelijk uw aankoop waard.

De titelsong (bij Jenny Lewis traditioneel de eerste song die ze voor de plaat schrijft) is het meest traditionele countrynummer op deze plaat en "Badman’s World" wellicht het tegenovergestelde. Toch gaan ze naadloos in elkaar over, wat bewijst dat Lewis veel muziekjes naar haar hand kan zetten. Om haar daarvoor nu meteen bij de allergrootsten in te lijven, is wellicht een beetje overdreven, maar toch: om Costello tot een duet te verleiden moet je toch van goeden huize komen.

Ligt het aan onze liefde voor alles wat Costello aanraakt (op Diane Krall na, nu we er zo eens over nadenken)? Feit is dat we "Carpetbaggers" al vingerknippend als favoriet hadden aangevinkt, nog vòòr good old McManus er de (lichtjes overspannen) stem van zijn begindagen tussengooide. De samenwerking tussen Lewis en Costello zorgt pas helemaal voor vuurwerk in de laatste minuut van de song, als ze hun stemmen echt om elkaar heen laten kringelen.

God, vergeeft u ons als we daarna met de beste wil van de wereld niet blij kunnen worden van het — objectief beschouwd nochtans aanstekelijk opzwepende — "See Fernando"? De song heeft er in de verste verte niets mee te maken, maar toch kunnen we de vreselijke echo van de quasi gelijknamige Abba-draak niet uit ons hoofd bannen. Probeer het zelf eens, luidt onze consumententip bij dezen. Het loont wellicht de moeite.

Ter compensatie is er "The Next Messiah". Lewis noemt het zelf een poging om een "Streisand" te doen en met een beetje goede wil kun je het haar "Paranoid Android" noemen: Lewis knipt en plakt drie songs (die perfect op eigen benen kunnen staan) tot een negen minuten durend southern anthem. Een pièce de résistance heet zoiets in cultuurtijdschriften. Wij houden het bij: een straffe song.

Naarmate de plaat vordert, sluipt er steeds meer gospel in de songs. Het tilt eerst "Tryin’ My Best" naar een hoger niveau, om daarna helemaal loos te gaan in het fijn getitelde "Jack Killed Mom". Dit duistere verhaal van "the bully’s bull" begint als een rustige pianoballad, wordt halfweg in twee gesneden door een elektrische gitaar om daarna door de kwaadaardige parlando van Jonathan Rice verder in stukjes te worden gehakt. En nog is het niet gedaan: Jenny en het plaatselijke gospelkoor sleuren de song naar een orgastische finale die je verdwaasd en buiten adem achterlaat.

Wat nog volgt is de slotsong, die een grote verantwoordelijkheid draagt. Hij brengt je zachtjes terug op aarde en doet je rustig uitgeleide, bij voorkeur met een welgemeend "see you soon". "Sing a Song" doet dat perfect. Net als deze slotzin, zo hopen we.

Op 9 oktober speelt Jenny Lewis in De Melkweg in Amsterdam. België laat ze links liggen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 5 =