The Cottage




Critici die cineast Paul Andrew Williams de hemel inprezen na
zijn mokerslagdebuut, ‘London to Brighton’,
zullen hard in de kleine oogjes wrijven wanneer ze opvolger ‘The
Cottage’ op hun bord krijgen. Waar Williams met ‘London to Brighton’
bewees dat hij een volwassen misdaadthriller kon opbouwen, laat hij
met ‘The Cottage’ zien dat er ook wel eens smakelijk gelachen mag
worden. De leperd vertrekt nog altijd vanuit het misdaadmilieu,
maar het wordt snel duidelijk dat ‘The Cottage’ meer het werk is
van de puber in Williams die te veel crappy horrorfilms gezien
heeft, dan van de bijna-auteur die het Britse misdaadgenre terug
wat eerherstel gaf nadat Guy Ritchie er zijn voeten aan vuil
maakte. Zwarte misdaadkomedie én splatterslasher ‘The Cottage’ is
een compleet schadeloze genrebestuiving die, in navolging van
‘Shaun of the
Dead’
en ‘Severance’, Britse humor kurkdroog laat botsen met
klassieke Amerikaanse genreconventies. De uitvoering is even
onevenwichtig als de sprong tussen de genres, maar de
goesting van Williams en zijn team is aanstekelijk en
levert voldoende huivergniffelplezier op om de genreliefhebbers
wild te houden. En niet onbelangrijk, de klassieker der
slapstickklassiekers is ook aanwezig: de dommekloot die tegen een
hark aanloopt. Laat dat nu nét het enige zijn dat ik miste bij
‘London to
Brighton’
.

Het begint allemaal in een afgelegen en verlaten landhuisje waar
de broertjes David (Andy Serkis) en Peter (Reece Shearsmith) zich
verschuilen na de ontvoering van de stiefdochter (Jennifer Ellison)
van Davids gangsterbaas. De twee zijn amateurs eerste klas en
hebben hun handen meer dan vol met de farse smoel en de vuisten van
het ontvoerde, doch niet zo domme blondje. Wanneer hun steeds
klungeliger wordende plan (de zoon van de baas zit ook in het
complot en is niet bepaald het grootste licht op het erfgoed)
ontdekt wordt door Davids baas, dreigt alles in het honderd te
lopen. Het minste van hun problemen, want een buurman met
licht-sadistische trekjes moet helemaal niks weten van al dat
onuitgenodigd volk in de buurt van zijn erfgoed. De zeis wordt uit
de schuur gehaald, pensen worden opengereten en twee broers wachten
op hun welverdiende beloning.

Dat ‘The Cottage’ meer aanvoelt als een onstuimig in elkaar
geflanst debuutfilmpje dan als een logische opvolger op critic
darling
‘London
to Brighton’
is eenvoudig te verklaren. Williams had eigenlijk
zijn scenario van ‘The Cottage’ al een paar jaar klaarliggen, maar
wat zijn visitekaartje had moeten worden, raakte verwikkeld in een
lang aanslepend productieproces. Williams, die zich dringend wou
bewijzen, was het wachten beu en begon dan maar aan zijn volgende
project: ‘London to
Brighton’
. De met talrijke filmprijzen overladen debutant liet
de arty lof niet naar zijn hoofd stijgen en keerde met de
vergaarde credibility terug naar zijn ‘The Cottage’, een
studentikoze splatterkomedie waar hij net iets minder prestigieuze
awards voor zal krijgen. Niet dat de stiekeme horrorliefhebber (die
zijn dankbare BIFFF-publiek verwende met een uitbundige versie van
‘My Way’) er wakker van zal liggen – de fans van het betere
komische splatterwerk hebben er namelijk een nieuwe held van de dag
bij.

Ondanks het feit dat Williams ongewone opvolger kampt met
ernstige structuurproblemen (het verhaal wordt gebracht als een
drieakter, waarbij de tweede akte eigenlijk een beetje wordt
vergeten, oepsie), is ‘The Cottage’ een charmant en pretentieloos
pastichespelletje met zowel het misdaad- als het huivergenre. De
regisseur start gedurfd met de voet op de rem en gebruikt de
kabbelende ontvoeringsplot enkel maar als achtergrond om de twee
hoofdrolspelers uitgebreid voor te stellen met verbaal gebekvecht,
droge visuele gags en wat onvermijdelijke slapstick. Tijdens de
eerste helft moet de fun dus vooral komen van de acteurs
en meer bepaald de manier waarop ze de komische vonken laten
knetteren.

Een meevaller, want zowel Andy Serkis – de enige acteur ter
wereld die op zijn sterfbed zal kunnen zeggen dat hij Gollum, King
Kong en kapitein Haddock heeft mogen spelen- als Reece Shearsmith
(die achternaam laten uitspreken door iemand met een lisp, lachen!)
staan scherper dan de attributen waar de psychopaat ze later mee
zal opjagen. Serkis is op dreef als de stereotype Guy
Ritchie-gangster die even stoer als zenuwachtig heen en weer
wandelt, maar het is Shearsmith die de show steelt als de
scream queen met het bezwete kaalkopje en de mottenfobie
(schitterend uitgebuit in de beste scène van de film). De vele
oooh, that gotta hurt-momenten van Shearsmith zorgen
trouwens voor het beste bulderende leedvermaak van het jaar. Van
zijn gekneusde ballen tot zijn gebroken neus, van zijn ontwrichte
kaak tot zijn verkleumde teentjes, de man heeft geen lichaamsdeel
hangen of er wordt wel iets heel auwkes mee gedaan.
Allemaal slapstick van de gedateerde stempel, maar door de
zwartkomische mentaliteit krijgt het een sardonisch kantje dat het
onmogelijk maakt om niet te gniffelen. En Shearsmith, die de fans
van ‘The League of Gentlemen’ graag zullen terugzien, doet het
allemaal alsof hij nooit iets anders heeft gedaan. Als bonus wordt
de blonde bimbo met veel vuilgebekte (de fucks en
cunts vliegen je om de oren) verve vertolkt door Brits
tabloidprinsesje Jennifer Ellison. Om maar te zeggen dat de vele
narratieve en plotvertragende mankementen (waarom deden die
Koreaanse gangsters eigenlijk mee?) van ‘The Cottage’ grotendeels
worden gecompenseerd door de enthousiast op elkaar ingespeelde
cast.

Maar eigenlijk raakt ‘The Cottage’ pas tijdens het laatste half
uur op kruissnelheid. De meer verbale stuntelscènes van een uur
geleden verdwijnen zo goed als volledig en de film wordt een
ongegeneerde grand guignol-parade die zich gezellig
wentelt in alle clichés waarvan ze in Hollywood denken dat ze nog
serieus genomen worden. Onheilspellende ‘no tresspassing’-bordjes,
groezelige keldertjes waar Leatherface zijn brokjes vlees in zou
verbergen en een badass motherfucker van een slechterik om
het boeltje met een flink mes aan stukken te hakken. Oké, de
make-up is niet je dat – zijn mond beweegt nauwelijks wanneer hij
brult – maar voor de rest is dit een vaak hilarische pastiche op de
verminkte monsters die we toch zo graag bezig zien in het
slashergenre. Het ruikt allemaal iets te veel naar amateur
hour,
maar Williams weet héél goed welke bloedworsten hij moet
voeren aan de goorhonden.

Had Paul Andrew Williams nu eens eerst ‘The Cottage’ gemaakt en
dan ‘London to
Brighton’
, het had precies toch een beetje meer steek gehouden.
Niet dat het rommelige maar sympathieke ‘The Cottage’ ongenietbaar
is (lang geleden dat ik nog eens zo kon lachen met poepsimpele
hark-tegen-smoelwerk-slapstick), maar na zijn verrassend volwassen
debuutfilm komt deze slasherkomedie toch eerder over als een
kig debuutfilmpje in plaats van een talentbevestigende
follow up. Benieuwd wat z’n volgende zal worden. Ik gok op
een religieus getinte musical in een rechtbank. Met vuilgebekte
gangsters uiteraard.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − negen =