Burke and Hare

Bijna twintig jaar geleden wist Sick Boy het ons al
te melden in ‘Trainspotting’: “At some point you’ve got it, and
then you lose it.”
Zelf dacht hij daarbij vooral aan Sean
Connery, maar hetzelfde kan gezegd worden voor een hele resem
filmmakers en -acteurs uit de jaren tachtig, die gaandeweg hun
mojo verloren en zichzelf sindsdien steeds irrelevanter
hebben zien worden. John Landis is één van hen. De man begon met
een paar semiklassiekers, genre ‘The Blues Brothers’ en ‘An
American Werewolf in London’, maar daarna begonnen de kwantiteit,
kwaliteit én populariteit van zijn films gestaag af te nemen. Zijn
laatste prent was ‘Susan’s Plan’ uit 1998, die straight to
video
ging en kennelijk niet bepaald een meesterwerk was. En
nu, na zo’n dertien jaar lang de kost te verdienen met afleveringen
van tv-reeksen, is hij er eindelijk weer met ‘Burke and Hare’, een
zwarte komedie die op papier alles heeft om te overtuigen: een
macabere plot, een goede cast en een intrigerende setting. Maar ja,
op papier zijn er veel slechte films die er goed uitzien. De
comeback van Landis zal alvast nog minstens één film op
zich laten wachten.

Simon Pegg en Andy Serkis spelen William Burke en
William Hare, twee vrienden die circa 1828 van Ierland naar
Schotland reizen om daar aan de kost te komen als oplichters. Dat
wil niet echt lukken, en het duo is de totale armoede nabij wanneer
ze een andere manier ontdekken om geld te verdienen: de befaamde
dokter Robert Knox (Tom Wilkinson) heeft dringend dode lichamen
nodig om zijn medisch onderzoek te bevorderen, en is bereid om vijf
pond per stuk te betalen. Burke en Hare beginnen ‘s nachts graven
leeg te roven, maar al snel blijkt dat ze daarmee niet aan de vraag
kunnen beantwoorden; de twee slaan aan het moorden.

Geregisseerd door een Amerikaan of niet, ‘Burke and
Hare’ ademt van begin tot eind een fundamenteel Britse sfeer uit,
waarbij er maar weinig Amerikaanse invloeden terug te vinden zijn.
Buiten het verhaal en de setting is er immers ook de oneindige
stroom aan Britse acteurs die hun opwachting maken, inclusief
Christopher Lee, Ronnie Corbett, Paul Whitehouse (van ‘The Fast
Show’), Stephen Merchant (van ‘Extras’), Jenny Agutter en ga zo
maar door – vrijwel elke bijrol, zelfs de meest betekenisloze,
wordt gespeeld door iemand met een (in Engeland dan toch) bekende
kop. In de meeste gevallen een kop die op de één of andere manier
een deel uitmaakt van de recente of minder recente Britse
comedy-geschiedenis.

En bovendien zijn er de invloeden van de Ealing
Comedies, die zwaar op de film wegen. Dit was een reeks komische
films die gemaakt werd tussen 1947 en 1957, en die zeer vaak een
anarchistisch personage centraal stelde, die via grote of kleine
criminaliteit de sociale ladder wist te beklimmen. In ‘The Lavendar
Hill Mob’ overvalt een klerk zijn eigen bank. In ‘Kind Hearts and
Coronets’ pleegt een man de ene moord na de andere, om te eindigen
als hertog. ‘The Ladykillers’ ging dan weer over een bende
bankrovers die worden dwars gezeten door een oud mevrouwtje. ‘Burke
and Hare’ werd, wellicht niet toevallig, geproduceerd door de
Ealing Studios en de plot heeft een gelijkaardig stramien:
sympathieke criminelen raken hogerop in de maatschappij, met behulp
van een paar moorden op zijn tijd. Hoe uitzinniger hun misdaden,
hoe groter de guilty pleasure die we erbij kunnen
beleven.

Je kan zelfs volhouden dat ‘Burke and Hare’ in
principe een interessante parallel trekt tussen het opkomende
kapitalisme van de 19de eeuw en de steeds meer meedogenloze
varianten van vandaag. De hoofdpersonages praten continu in termen
van “vraag en aanbod”, die ze gebruiken om hun misdaden te
rationaliseren. Ze plegen geen moorden, nee, ze voldoen aan een
economische noodzaak. De vraag naar lijken is er, en dus moet
iemand de productie op zich nemen. Het is het principe van de vrije
markt, doorgetrokken tot zijn meest extreme logische conclusie; een
letterlijk voorbeeld van zakenmannen die over lijken gaan.

Oké, dus de thema’s zijn er, de film zit tjokvol
met referenties naar de geschiedenis van de Britse
comedy… En toch is het allemaal maar niks? Wel… Nee,
want al die dingen maken ‘Burke and Hare’ daarom nog niet
grappiger. Zwarte humor kan werken, maar dan moet er wel genoeg
snedigheid en wit aan de dag gelegd worden. In ‘Burke and
Hare’ koketteert Landis continu met gruwel: hij toont afgezaagde
lichaamsdelen, misvormde lijken en opstralend bloed in een
zakelijke, compleet emotieloze context en hij hoopt dat dat genoeg
zal zijn om een lach uit te lokken. Burke and Hare die een lijk in
een harington steken, waarna die ton wegrolt en ze er achteraan
moeten lopen: lacheuh! Nog beter: eens dat lijk uit de ton wordt
gehaald, blijkt het bijna letterlijk in tweeën geplooid te zijn. Ze
moeten het met een sappige krààààk terug plat drukken.
Yummie. Ook een dokter die met veel fanfare een laken van een lijk
trekt, enkel om te merken dat het lichaam al in verregaande staat
van ontbinding verkeert, wordt uitgespeeld als een grap. Kijk,
slechte smaak is eigen aan zwarte humor, het is er zelfs bijna de
definitie van, maar je moet met die groteske momenten ook iets
vindingrijks aanvangen. Je moet er een spitsvondige clou aan geven.
Anders is het enkel grotesk. Hier zoekt Landis telkens opnieuw het
gortige op, om dat dan op zichzelf te presenteren als de clou van
een mop.

Nog erger: wanneer zelfs het smakeloze gestoei met
lijken niet meer genoeg is, grijpen de makers naar pis-, kak- en
seksgrappen om makkelijk te scoren. Burke en Hare die de inhoud van
een nachtpan op hun kop krijgen, of Hare die energiek met zijn
vrouw ligt te rampetampen terwijl ze ondertussen hun criminele
plannetjes aan het smeden zijn: het zijn maar een paar voorbeelden
van komisch bedoelde momenten die bijna voor plaatsvervangende
schaamte zorgen.

Voeg daar nog enkele overbodige nevenplots aan toe
(een booswicht die beschermingsgeld vraagt van het centrale duo,
een prostituée die de eerste all-women productie van
‘Macbeth’ op poten wil zetten) en je hebt ‘Burke and Hare’: een
film die begint met een goed idee, en er dan veel te weinig mee
doet. Ja, de twee centrale acteurs voeren een sympathiek nummertje
op, en ja, de production design van 19de-eeuws Edinburgh
is best goed gedaan. Maar dat alles is niet genoeg om een komedie
te redden die simpelweg niet grappig is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee + zeventien =