Interpol + Blonde Redhead

Interpol en Blonde Redhead samen op één avond? De snuggere geest
die deze combinatie heeft uitgedokterd zal ook voornamelijk aan
zijn geldbuidel gedacht hebben. Het scenario zagen we van mijlenver
aankomen en week nergens af van de lijn der verwachtingen: de
hoofdact zelf heeft alles in zijn mars om Vorst Nationaal plat te
spelen en deed dat ook met verve. Blonde Redhead daarentegen maakt
muziek die helemaal niet geschikt is om in een bunker van dat
formaat tot zijn recht te komen, tenzij je helemaal vooraan stond
of toevallig op dat juiste stoeltje zat. En dat was niet waar wij
ons bevonden…

We kregen op de duur verdorie compassie met Blonde
Redhead
. Terwijl zij perfect op hun eentje een AB hadden
kunnen vullen, kregen ze hier acht nummers met een ontregelde sound
er bovenop. Om Vorst volledig te kunnen vullen, stond de volumeknop
van hun instrumenten uiteraard te veel naar rechts gedraaid, iets
wat voornamelijk storend werkte bij de drums van Simone Pace.
Telkens hij op dreef raakte, leek het of er een drumsolo aan de
gang was, waarbij vooral zijn basdrum storend domineerde.

Ondanks deze technische mankementen bracht het trio ons een
werkelijk fantastische drie kwartier. Zes keer werd uit het nieuwe
23 geput, in
twee helften gescheiden door het heerlijke ‘Falling Man’ en door
‘Melody’, beide van voorganger Misery Is A Butterfly.
De droefgeestige vocoder in ‘Heroine’ blies de set tot leven en
ondanks het fucked up geluid werd ‘SW’ een snel eerste
hoogtepunt. Zowel Kazu Makino als Amedeo Pace waren zeer goed bij
stem en wisselden elkaar als zanger nummer voor nummer af.
Regelmatig was er plaats voor een folietje, zoals de loop tijdens
de intro van ‘The Dress’ en de dromerige gitaartapijten die Amedeo
vaak aan zijn songs breide. Toch waren het vooral de laatste drie
nummers die de sterkste beurt maakten. ‘Spring And By Summer Fall’
was een heerlijk wervelende mini-sneeuwstorm. ‘Dr. Strangeluv’
bleek nog een stuk pakkender dan op plaat en afsluiter ’23’ toonde
ons voor het eerst de kortgerokte Kazu instrumentloos, waarbij ze
zo sexy zingend stond te dansen dat we er even niet goed van
werden. De video is al naar Chan Marshall gestuurd.

Even na half tien was het dan eindelijk de beurt aan het main event
van de avond. Interpol betrad het podium zoals we
ze in 2002 leerden kennen: strak in het pak, en met een
cool over zich waar menig Tony Montana een puntje aan kan
zuigen. De groep is in een jaar of vijf geëvolueerd van AB Club
(capaciteit: 250 man) naar de 28 keer grotere megatent Vorst
Nationaal, maar Paul Banks en de zijnen leken geenszins onder de
indruk van het talrijk opgekomen publiek. Waarom zou je ook, als je
een opener als ‘Pioneer To The Falls’ uit je mouw kan schudden? De
donkere sfeer ging, zeker zo vroeg in de set, jammer genoeg een
beetje verloren in de gigantische bunker die Vorst Nationaal heet.
Doodzonde van het fantastische nummer.

Nee, dan ‘Obstacle 1’, van op Turn On The Bright
Lights
. De nogal belachelijke tekst (“Her stories are
boring and stuff / she’s always calling my bluff”
) was live
van geen enkel belang, want de band speelde deze
motherfucker van een song met zo veel overtuiging en
kracht dat het álle 7000 toeschouwers bij hun nekvel greep.

Zanger Paul Banks was, ondanks een in deze tijd van het jaar
obligate verkoudheid, goed bij stem en voor zijn doen opvallend
spraakzaam. Wayne Coyne he ain’t, maar toch herhaalde hij
meermaals hoe ‘fucking great’ het publiek wel was. Er kon
zelfs af en toe een zweem van een glimlach van af! Voor het
show-element konden we terugvallen op leadgitarist Dan Kessler, die
de term ‘gitaarheld’ eigenhandig nieuw leven inblies. Zijn bijna
dertig seconden complete stilte bij ‘PDA’ was er een beetje over,
maar de New Yorker wist ons meermaals te verbazen met heerlijk
strakke solo’s en bovenal een indrukwekkende veelzijdigheid.

enola-collega (ce) gaf Our Love To Admire
net geen perfecte score, maar – eerlijk is eerlijk – het waren
vooral de oudere nummers die in Vorst voor vuurwerk zorgden.
‘Mammoth’ vonden wij op plaat al een onsamenhangende collectie half
geslaagde ideeën, en na de live-versie hebben we onze mening
geenszins herzien. ‘The Lighthouse’, dat met nog zeven nummers te
gaan een soort van rustmoment was, haalde het tempo wat uit het
concert. Het werd echter gevolgd door een fantastisch ‘Evil’, wat
ons betreft nog steeds een van de strafste nummers van de
noughties. Ook ‘Say Hello To The Angels’, dat op plaat wat
te lijden had onder de wat ijle productie (herinner u de tijd dat
Interpol door sceptici ‘dat Joy Division-tributebandje’ genoemd
werd), kwam hier tot volle bloei.

Meer dan drie platen had de band niet nodig om zich van
nu-wave-hype op te werken tot een Vorst Nationaal vullende mega-act
die zich volgens velen tot een van de strafste gitaargroepen van
zijn generatie mag rekenen. Helaas heeft dit ertoe geleid dat hun
populariteit een beetje uit z’n voegen gebarsten is. Zeker gezien
de meer atmosferische richting die Interpol op Our Love To Admire is
ingeslagen, is het niet altijd makkelijk om de stadions van deze
wereld overtuigend te begeesteren. Wat we in Vorst te zien kregen,
was echter voor het grootste deel ronduit ‘indrukwekkend’ te
noemen.

Mensen die voor Blonde Redhead waren afgezakt, namen er Interpol
bij en de meerderheid die voor de hoofdact naar Vorst kwam, deed
hetzelfde met Blonde Redhead. Het contrast tussen de twee kon niet
groter zijn: Blonde Redhead baadde in een zee van warmte en
speelsheid, terwijl Interpol indruk maakte met hun koude,
afstandelijke machine. Feit is dat niemand hier teleurgesteld naar
huis ging want iedereen had minstens één goed optreden
gezien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + negen =