Bad Brains :: Build A Nation

Bad Brains bracht twee albums uit in de jaren negentig: twee gezichtsloze prullen die rechtstreeks (en terecht) naar de baggersectie verwezen werden. Het leek dan ook onwaarschijnlijk dat meer dan een decennium na de vorige poging een waardevolle comeback op stapel stond. En toch lukte dat. Bijna.

Samen met Black Flag, de Dead Kennedys en Minor Threat gaf de oude Bad Brains vorm aan een genre dat nooit meer zo’n creatieve bloei kende als begin jaren tachtig: hardcore punk. Net als hun spitsbroeders waren de vier van Bad Brains jong, wild en militant, maar wat hen vooral onderscheidde van de rest was het feit dat ze zwart, en daarenboven rastafari’s waren. Dat resulteerde in nu nog indrukwekkende lappen geweld als Bad Brains en Rock For Light, punkbijbels waarop een plaats was voor hondsdolle kronkelfurie én gezapige reggaeritmes, voor een schreeuw om een betere toekomst én odes aan Jah Almighty. Drie albums lang ging dat prima, maar nummer vier, Quickness (1989), betekende vooral energieverlies, een toename van de metalfactor en het naderende einde van de band. De twee studioalbums die in de jaren negentig het licht zagen, waren beschamende kladjes die het niet eens verdienden in het licht van het klassieke werk te vertoeven.

Een eerherstel diende zich aan toen de herenigde Brains de kans in de schoot geworpen kregen om een plaat op te nemen onder de hoede van Beastie Boy en überfan MCA (Adam Yauch). Sinds jaar en dag verkondigde de man al dat the Bad Brains zowat zijn favoriete band was en met zijn punkverleden en een studio ter beschikking (Oscilloscope Laboratories), werd de muziek snel opgenomen. De zang werd later op band vastgelegd in Los Angeles. Wat het eerste deel van die opnames betreft mag Yauch onder loftuitingen bedolven worden: de muziek van deze opgefriste oude Bad Brains klinkt rauw, snedig en haast even furieus als de dun klinkende scheermesjesrazernij van het vroege werk. Met de tussen funkmetal en punk balancerende opener “Give Thanks And Praises” grijpt de groep terug naar I Against I, een vergelijking die vaker de kop zal opsteken.

Terwijl de muziek een toepasselijk pseudorommelige sound aangemeten krijgt die het speciale karakter van deze band enkel ten goede komt, valt er minder goed nieuws te vertellen over de zang. H.R., een van de meest geschifte frontmannen van zijn tijd en ooit gezegend met een door merg en been gierende gil- en schreeuwtechniek, is duidelijk niet meer in staat om zijn compagnons bij te benen. Hij houdt het bij langgerekte uithalen die prima passen bij lome reggae, maar klinken als een tang op een varken in combinatie met het bonkende gerammel van de band. Dat men er dan niets beters op gevonden heeft om zijn zang te bedekken onder een batterij effecten is niet enkel naïef (gebrek aan vuur steek je niet weg), maar ook enerverend. Prima brokken herrie als “Jah People Make The World Go Round” en “Universal Peace” worden daardoor onderworpen aan een castratie die doet huiveren bij de gedachte wat het zou gegeven hebben met een spastische zanger die gaat voor de volle 110 procent.

Dat Build A Nation hun beste album sinds I Against I (intussen 21 jaar oud) is, zou wel eens kunnen kloppen, maar dat is dan niet enkel de verdienste van de nieuwe plaat, maar ook van de ruggengraatloosheid van de vorige albums. Voor elke song die moeiteloos over de streep geraakt (“Let There Be Angels (Just Like You)”, “Pure Love”), is er immers eentje te vinden die de richtingloze monotonie niet van zich af weet te werpen (“In The Beginning” of de al te rommelige titeltrack). Dit alles resulteert erin dat de vijf reggaesongs, die twintig jaar geleden onderworpen werden aan de SKIP-behandeling (om toch maar aan dat verslavende lawaai te kunnen geraken!), nu best de strijd kunnen aangaan met de rest van de songs. Aangevuld met het toetsenwerk van Jamie Saft en bedwelmd door de hangmatzang van H.R. klinken de nummers immers toepasselijk werkschuw.

Een aangenaam weerzien is Build A Nation wel; het is een verademing om de oude rukkers nog eens van jetje te horen geven op hun eigen, onnavolgbare wijze. Tegelijkertijd is er echter het ontnuchterende besef dat het nooit meer zal zijn zoals het was. Nieuwe fans zal de band waarschijnlijk niet maken, maar het zal de oude wel die melancholische bui bezorgen die ervoor zorgt dat de eerste drie platen nog eens door ‘t kot schallen. Niet omdat het nu zo’n ramp is, maar omdat het nu en dan even herinnert aan de grootsheid die ooit was. En dat kan nooit kwaad.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 7 =