Singin’ in the Rain




Regie : Stanley Donen en Gene
Kelly
Scenario : Betty Comden en Adolph
Green
Met : Gene Kelly, Donald O’Connor,
Debbie Reynolds, Jean Hagen, Cyd Charisse, Rita Moreno,
e.a.
103 min. / USA/ 1952

Tegen druilerige zomerdagen bestaat maar één remedie: ‘Singin’
in the Rain’ in de dvd-speler (meezingen mag, maar dat natuurlijk
geheel op eigen risico). Zelfs een storm kan je dan niet meer
omverblazen, je lacht naar de wolken en grote waterplassen worden
plots heel aanlokkelijk om in te pletsen, te springen of te
rollebollen. Veel klassiekers hebben een feilloze reputatie
opgebouwd, maar ‘Singin’ in the Rain’ zal bij mij altijd en overal
een streepje voor hebben: met zijn all-in-one
entertainmentformule is dit een spetterende filmervaring met alles
erop en eraan. De film mag uit elke context gerukt worden, mag op
elke gelegenheid getoond worden, iedereen zal blijven kijken tot de
laatste lettertjes over het scherm rollen. Van het zuiverste
amusement en gerangschikt onder de P van de (bijna) perfect, zit
deze muzikale moesson terecht heer en meester te wezen op de troon
als beste musical ter wereld. Hij werd zelfs hier en daar door de
critici verkozen tot beste film ooit, simpelweg omdat hij meer
troeven bezit dan dat er in een kaartspel ooit zullen bestaan.

Kip of ei, bij ‘Singin’ in the Rain’ waren de nummers er vóór de
plotlijnen. Schrijvers Adolph Green en Betty Comden kregen van
producer/musicalbeest Arthur Freed de moeilijke opdracht om rond
songs die hij nog liggen had en die moord en brand schreeuwden om
een (her)verfilming, een aantrekkelijke intrige te manoeuvreren. De
twee hadden gelukkig al wat ervaring binnen MGM en het
musicalgenre, zodat het verhaal geen vluchtig excuus werd om
catchy zang- en dansnummertjes als ‘Fit as a Fiddler’,
‘All I Do is Dream of You’ en ‘Good Morning’ wat aan elkaar te
strikken. De hele film golft in één lekkere heupbeweging door de
gezongen en gesproken dialogen, zonder daarom bij de liedjes in het
verhaal halt te houden – het wordt er gewoon rustig in
doorverteld.

Maar zelfs zonder die wereldberoemde musicalsongs -die zelfs de
grootste musicalscepticus zijn vooroordelen doen opvreten-, zou je
nog een geweldig grappige, intelligente satirische komedie
overhouden, waarin zelfs een interessant stukje
Hollywoodgeschiedenis uit de doeken wordt gedaan. In de spotlight
staat namelijk de plotse overgang van de stomme film naar de
geluidsfilm eind jaren ’20. Een stap die veel acteurs hun carrière
koste, omdat hun stem niet echt begeerlijk klonk of omdat de
illusie van hun acteertalent pijnlijk doorprikt werd, toen ze hun
personages opeens ook echt in daden én woorden moesten gaan
vertolken.

Zo moet ook het succesvolle on-screen acteerkoppel Lina Lamont
(Jean Hagen) en Don Lockwood (Gene Kelly) na het succes van de
eerste gesproken/gezongen film ‘The Jazz Singer’ noodgedwongen de
overstap naar de ‘talkies’ wagen. Om mee te zijn met de nieuwe
trend stelt de producer voor om de opnames van ‘The Duelling
Cavalier’ volledig over te doen, ditmaal gesproken. Alleen is de
juiste technische feeling nog niet aanwezig en de try-out
is alvast een giller (de achtergrondgeluiden overtreffen de
stemmen, niets klinkt synchroon en de basic dialogen
werken danig op de sluitspier). Lockwood stelt voor om de film van
de ondergang te redden door er een musical van te maken, maar er
zijn drie problemen: miss Lamont kan niet acteren, ze kan niet
dansen en ze kan niet zingen. (Haar stem klinkt als een gemixte
sample tussen Donald Duck en Betty Boop). Kathy Selden (Debbie
Reynolds), Lockwoods liefje, offert zich uiteindelijk op om Lina’s
zangpartijen in te zingen.

Naast de algemene satirische ondertoon rond de technische
problemen bij de talkies zit de film boordevol humor, van subtiel
tot goedkoop, maar steeds geslaagd. De snedige oneliners vliegen je
om de oren, bijna elke scène bevat een memorabele quote. Vooral
Lockwoods boezemvriend Cosmo Brown (Donald O’Conner) is hier thuis
in. Zijn taalmopjes (Cosmo, call me a cab – OK, you’re a
cab!
) of zijn eenvoudige slapstickhumor in ‘Make ‘m Laugh’
(als hij z’n neus wegduwt, geweldig!), ze hebben allemaal een
onweerstaanbaar giecheleffect. Maar het meest memorabel blijft Lina
Lamont, die I can’t make love to a bush uitschreeuwt,
wanneer ze berispt wordt dat ze ín de micro moet praten (die in een
plantenbak verstopt zit). De heerlijke sassy girl Jean
Hagen zet daarmee een hilarische karikatuur neer (Lina Lamont zou
een verwijzing zijn naar Norma Talmadge, een ster die haar carrière
zag smelten als sneeuw voor de zon omwille van haar lelijke
uitspraak). In het echt heeft ze een vrij aangename stem en de
ultieme setroddel is dat ze voor de film zelfs stukken van Debbie
Reynolds zou gedubd hebben.

Maar dé lucky star van de show is natuurlijk Gene
Kelly. Hij strooit zoveel stijl en flair rond dat het pijn doet aan
de ogen. In die tijd moest je als acteur je nog lekker
all-round zijn: zingen, dansen, grappig én charmant zijn?
Gene Kelly doet het allemaal en de toen nog piepjonge Debbie
Reynolds heeft het tijdens de opnames zwaar te verduren gehad om de
veeleisende musicalkoning bij de dansacts bij te benen. Making
this movie and surviving childbirth were the two hardest things I
ever had to do
, zegt ze erover, maar daar is in de film niets
van te merken: de dansscènes zijn adembenemend. Voetgetapdans waar
je met een dwaze glimlach op je gezicht naar zit te kijken, terwijl
de acteurs als vrolijke Duracellkonijntjes blijven doorgaan, zonder
hun benen in de knoop te krijgen. De choreografie hier is
fenomenaal. Vooral op het einde van de film wordt er ruimdenkend en
gevarieerd met het begrip ‘musical’ omgesprongen, in twee scènes
(die met de wapperende kilometersjaal en de explosieve
Broadwaysequentie), die op het eerste gezicht een beetje wringen
met het voorgaande, maar toch de spetterende finale afleveren die
de film verdient en waarin de oneindig lange benen van Cyd Charisse
eventjes de prent kidnappen.

Hét ultieme liedje voor onder de douche blijft natuurlijk de
titelsong ‘Singin’ in the Rain’, één van de meest onvergetelijke
filmscènes ooit, waarin Gene Kelly zo lovestoned als een
een verliefde garnaal zijn beste danspasjes bovenhaalt en op z’n
dooie gemak de filmgeschiedenis inswingt. De parodieën,
verwijzingen in andere films en in de reclamewereld (zoek op
YouTube maar eens naar de breakdance versie) zijn ontelbaar en het
blijft gewoon één van de origineelste liefdesverklaringen ooit (ja,
dit is een tip).

‘Singin’ in the Rain’ ziet er in zijn scherpe en exploderende
petits foerkeskleuren (technicolor rules!) om op te vreten
uit, maar is méér dan alleen uitstraling, show en dans. Een beauty
mét brains, die ook een blik achter de schermen van de filmwereld
biedt, dankzij de vele film- in filmmomenten in de opnamestudio’s.
‘Singin’ in the Rain’ is een film waar de liefde voor musical (van
het gezicht van Gene Kelly) afdruipt. De prent is zo fantastisch
hyperkinetisch en aanstekelijk dat je je zelf begint af te vragen
waarom er niet in alle films gezongen en gedanst wordt (en dat is
een zéér gevaarlijke gedachte). Voorlopig blinkt hij dus nog hoog
en droog op nummer één: de beste musical aller tijden. What a
glorious feeling!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − twee =