If…

Malcolm McDowell is één van die acteurs wiens carrière oprecht,
zonder overdrijven, tragisch genoemd kan worden. Sinds de jaren
tachtig duikt hij vrijwel uitsluitend nog op in het kaliber van
thrillers, horror- en actiefilms dat nog het best omschreven wordt
met de eenvoudige, maar afdoende term “kaka”. Hij mag met z’n
karakterkop dreigend staan wezen in klassiekers als ‘I Spy’, ‘Cut
Off’ en (mijn favoriet) ‘The Curse of King Tut’s Tomb’. En dat
terwijl hij z’n loopbaan begon met twee iconische films, die tot
het beste behoren van wat de Britse cinema ooit heeft
voortgebracht. In ’71 speelde hij de hoofdrol in ‘A Clockwork Orange’
(Kubrick was een Amerikaan, maar voor het overige werd die film met
een volledig Engelse cast en crew gedraaid in het VK), maar enkele
jaren eerder, in 1968, debuteerde hij al in Lindsay Andersons
magistrale ‘If…’ – tegenwoordig een minder bekende titel, maar
nog steeds een meesterlijke film. En toen hij uitkwam, moest de
controverse die er rond ‘If…’ losbarstte nauwelijks onderdoen
voor die rond ‘Clockwork’: Andersons
film was immers een frontale aanval op het Britse
establishment van die tijd. De filmmakers haalden waarden
en instellingen onderuit die al honderden jaren meegingen, en dat
werd hen vaak niet in dank afgenomen. Vooral oudere critici spraken
van een schandalig, zinloos anarchistisch werkstukje; de jongere
garde hield het op een bezielde battle cry voor
verandering. Yup, McDowell nam een start waar niemand
naast kon kijken. Tot hij uiteindelijk in ‘I Spy’ verzeilde,
natuurlijk.

‘If…’ is een surrealistische blik op het leven in een Engelse
public school – een dure, ongegeneerd elitaire en
snobistische kostschool waar men er prat op gaat de leiders van
morgen te kweken. Tegenwoordig zijn dat soort scholen iets minder
in zwang en gaan vooral rijkeluiskinderen er nog heen, maar tot in
de jaren zeventig telde je sociaal en economisch gezien simpelweg
niet mee als je niet kon zeggen dat je op zo’n veredeld internaat
had gezeten. Anderson volgt de belevenissen van twee fracties
binnen de school, met regelmatig zijsprongetjes naar de andere
leerlingen. Mick Travis (McDowell) en zijn vrienden Wallace en
Johnny vormen een groepje rebellen, die zichzelf crusaders
noemen en walgen van het leven binnen de schoolmuren. Ze proberen
hun verveling te verdrijven met eindeloos fantaseren over
ontsnappingsscenario’s, het drinken van vodka en het pesten van
autoriteitsfiguren. Die figuren zijn de whips:
laatstejaars die zijn aangeduid om de orde te bewaren onder de
leerlingen en ervoor te zorgen dat de schoolregels worden
toegepast. Whips Rowtree en Dennison zijn de ergsten; ze
gebruiken de macht die ze hebben over de anderen om hen willekeurig
te straffen en vooral om hen te gebruiken als privé-slaafjes. De
spanningen tussen de vrijgezinde crusaders en de
conservatieve, autoritaire whips worden steeds erger, tot
ze ontsporen in een gewelddadige climax.

De reden van de heisa rond ‘If…’ is eenvoudig – het public
school
systeem in Engeland was één van de hoekstenen van de
ouderwetse Britse maatschappij waar iedereen zo trots op diende te
zijn. Anderson ontmaskerde die scholen echter als plekken waar
iedereen wanhopig grabbelt naar eender welk kleinste stukje macht
dat ze maar kunnen vinden, om het vervolgens te misbruiken. De
grotere jongens geven de kleinere jongens mot, zo werkt dat,
inclusief suggesties van homoseksueel misbruik. Het meest
onrustwekkende daaraan is hoe afwezig de leerkrachten wel zijn – we
zien hen af en toe, als ze lesgeven of tijdens één van de vele
missen die er gegeven worden. Maar verder kan het hen schijnbaar
allemaal niet zoveel schelen en laten ze het lot van hun leerlingen
in de handen van de whips. Die whips vormen een
soort van microkosmos van Engeland: ze hameren op traditie, op
regels, op orde, op conventies, op een gestructureerd leven, geleid
volgens regeltjes. Ze leggen zichzelf en alle anderen een
levensstijl op die de conventionaliteit zelve is. En o wee degene
die daar tegen in durft te gaan. Want niets is zo bedreigend voor
het status quo, voor de veilige tradities van honderden jaren, als
een rebelse geest.

Dat is het conflict waar ‘If…’ rond draait: enerzijds heb je
mensen die alles hetzelfde willen houden als het altijd is geweest.
En waarom niet? Als jij degene bent die aan het hoofd van de
voedselketen staat, als jij het bent die ànderen kan verplichten om
je wc-bril voor te verwarmen, dan wil je dat ook zo houden. En
anderzijds heb je degenen die verandering willen – in de praktijk
een verandering richting menselijkheid en gelijkheid. Dat idee
klinkt misschien enigszins naïef “op de barricaden”-achtig, maar
het wordt binnen de context van de film krachtig geïllustreerd:
simpel gezegd zijn die whips gewoon zo’n onuitstaanbare
snobs dat je inderdaad zit te duimen voor de mini-revolutie van de
crusaders.

Een echte plot is er niet. Anderson maakt eerder gebruik van een
collage aan scènes die wel voortbouwen op elkaar, maar toch eerder
losjes met elkaar samenhangen – in een meer traditionele film volgt
de éne scène noodzakelijk op de andere: er gebeurt dit, dus
automatisch komt er dan dàt. Hier is dat veel minder het geval.
Anderson structureert z’n film in acht hoofdstukken, die expliciet
genummerd en getiteld in beeld verschijnen, en die hoofdstukken
bepalen de dramatische lijn van de film. De scènes binnenin die
hoofdstukken, daarentegen, zou je in principe regelmatig van plaats
kunnen wisselen zonder dat de film in elkaar zou stuiken. De
regisseur weet heel goed waar hij naartoe wil, maar hij bereikt z’n
doel via een anekdotische aanpak, die regelmatig wonderlijke scènes
oplevert.

‘If…’ is op z’n best wanneer Anderson het realisme durft
achter te laten. Hij introduceert vanaf het begin een dromerig,
ietwat abstract sfeertje door willekeurige scènes in zwart-wit te
filmen (er zit bewust geen enkele logica achter de beslissing om
kleur of zwart-wit te gebruiken). En naarmate de film vordert,
geeft hij ons steeds meer fantasiesequensen die de frustratie van
Mick Travis en zijn vrienden weerspiegelen. Een ontmoeting met een
meisje in een café is wellicht de beste daarvan. Meer en meer
verwringt Anderson de werkelijkheid, wat leidt tot de finale, die
al dan niet gefantaseerd kan zijn – een anarchistisch, bizar maar
onvergetelijk einde, dat ons achterlaat met de fascinerende vraag
of het nu écht heeft plaatsgevonden, of enkel in de gedachten van
Travis.

McDowell maakt meteen een ongelooflijke indruk als Travis. Hij
kan tegelijk de goedheid van dat personage weergeven, en toch
suggereren hoe gefascineerd Travis is door geweld. We vinden ‘m
sympathiek, maar hij is ook gevaarlijk. Whip Rowntree
(Robert Swann) daarentegen, is een sublieme etterbak, maar niemand
die ‘m ook maar een seconde bedreigend zou kunnen vinden. Daarvoor
is hij te banaal. Het contrast tussen die twee geeft de film nog
een extra niveau mee.

‘If…’ is één van de beste films van de jaren zestig, een
schreeuw van verzet tegen een ingedommelde samenleving. Met een
diabolisch gevoel voor humor, een onfeilbare notie van tijd en
plaats, vlijmscherpe situaties en uitstekende acteurs is dit een
volbloed meesterwerk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + 10 =