Boris with Michio Kurihara :: Rainbow

De samenwerking tussen de sludgemeisters van Boris en de in hun thuisland Japan al even gerespecteerde cultgitarist Michio Kurihara beloofde op papier een overweldigende veldslag van overstuurde snarenchaos te worden. Niets is minder waar: Rainbow werd een ingetogen, vaak erg mooie trip, en misschien wel de meest coherente plaat uit de grillige Boris-catalogus.

Zij die zweren bij de moddervette avant-doom van het drietal zullen waarschijnlijk ontgoocheld worden. Je hebt als luisteraar slechts enkele seconden van opener "Rafflesia" nodig om te horen dat het gaat om Boris, maar hun corpulente stijl, die al menig album uit z’n voegen deed barsten, is nu getemperd en staat ten dienste van een herfstige sound en dito songs. Die songs dus waar het hen wel eens aan durfde te ontbreken op oudere albums.

Het viel er altijd wel aan te horen dat de drie een indrukwekkende platencollectie in huis hebben, eentje waarin een prominente plaats is weggelegd voor psychedelica en experimenten allerhande, maar al te vaak ging het bij het trio ook om veredelde geluidsexperimenten die vooral gedragen werden door de ontieglijk harde volumes en brute distorties. Net als hun vorige albums vergt Rainbow een inspanning en meerdere luisterbeurten, al is het tegelijkertijd hun meest toegankelijke album.

Er zijn drie instrumentals, en elk nummer is een wandeling door een dromenland van reverb, met een haast pastorale sfeer en een bescheidenheid die nieuw is. Het zijn echter de andere songs die het meeste indruk maken, en daar is er geen enkel nummer dat niet op zijn plaats lijkt. Het eerste hoogtepunt kondigt zich al snel aan met het titelnummer, een brok onweerstaanbare verleiding met gefluisterde zang van gitariste Wata, een slaapverhaalsfeertje en gedoseerde gitaarinterrupties van Kurihara, die duidelijk z’n geschiedenis van de gitaarpedalen kent.

Het is een stijl die wat meer retro aandoet dan die van Boris (meer een fan van the 13th Floor Elevators dan van Black Sabbath), maar het past wonderwel bij elkaar. "Starship Narrator" klinkt daardoor als een combinatie van Acid Mothers Temple en Can: hypnotisch, opgesloten in een hardnekkige groove die niet wil weten van ophouden. "Shine" heeft daarentegen iets miserabels, alsof het op imploderen staat. Het is tegelijkertijd de meest breekbare én gedurfde song op de plaat, een emotioneel hoogtepunt waarbij zanger/gitarist Takeshi zich voor één keer niet achter een muur van lawaai verschuilt.

De hoogtepunten van Rainbow zijn echter op de tweede albumhelft te vinden: de titel "You Laughed Like A Water Mark" geeft de feel van de song goed weer zonder al te specifiek te zijn. Het is een geluid dat een tegenhanger is van veel andere Japanse cultuuruitingen: een conflict tussen discipline, ingehoudenheid en onderhuidse passie. Kurihara’s gitaarspel klinkt daarbij als Neil Young op een acid trip: simpel en psychedelisch, maar effectief.

Als het op gitaarwerk aankomt, dan schiet "Sweet No.1" de hoofdvogel af. Bij een eerste beluistering lijkt het niet echt op z’n plaats op Rainbow, omdat het de enige keer is dat het trio en Kurihara loos gaan. Als een combinatie van sixties-psychedelica, de vetste Dinosaur Jr. (die van You’re Living All Over Me) en Television zou de song zelfs nog op Pink gekund hebben. Hier fungeert het vooral als een prima vroegtijdige finale, een uitbarsting voor de uiteindelijke coda.

Rainbow zal voor velen inferieur zijn aan het populaire Pink, waarmee Boris een jaar geleden een kleine doorbraak wist te forceren, en het is misschien ook wel zo dat die kolos hoger piekte, maar met deze collaboratie heeft de groep een verfrissend bescheiden en consistent album afgeleverd. Het is minder avontuurlijk, en niet de ideale plaat om Boris te leren kennen (want dat moet nog altijd gebeuren met een oplawaai), maar wel een welkome verademing en geschikte metgezel voor druilerige namiddagen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 1 =