Boris :: Pink

Popcultuur en Japanners, het is me wat. Als het komt overgewaaid uit het land van Toyota, Kurosawa en Melt Banana, dan is het zelden traditionele kost, maar die van Boris hebben er een kunst van gemaakt om nooit binnen de lijntjes te kleuren. Ze kunnen zich dat permitteren omdat ze onwaarschijnlijk cool zijn.

Dat komt ervan als je je eigen label Fangs Anal Satan noemt (de tijden dat Big Black menig muziekliefhebber choqueerde met Songs About Fucking zijn voorbij; met de tong stevig in de wang gedrukt komen indiebands nu op de proppen met namen als Aids Wolf en titels als You’re A Woman, I’m A Machine), en uitwijkt naar Southern Lord (zie ook: Sunn0))), momenteel zowat de meest namedropping-waardige band ten zuiden van de 50 Hz). Als je van dit label je thuisbasis maakt, de hoes van Nick Drakes Bryter Layter parodieert (dan is dit een verwijzing naar Pink Moon?), samenwerkt met enigma’s als Keiji Haino en Merzbow, je naam haalt bij de Melvins, en, welja, dezelfde taal spreekt als een hele resem bands waarmee grootmoeders aller landen op stang gejaagd kunnen worden, dan val je gegarandeerd op.

Met hun brij van doom, noise, avant-garde en vroegtijdige dementie was Boris lang iets voor diepgravende undergroundfanaten, al zal het feit dat hun platen klinken alsof ze werden gemaakt tijdens één langgerekte lsd-trip er ook wel voor iets tussenzitten. Het concert dat ze onlangs gaven in het voorprogramma van Sunn0))) was een goede weerspiegeling van wat er in de aanbieding is op Pink. Enerzijds sluit het aan bij de oudere sludge, het geluid van een zich voortslepende vetkwab, maar anderzijds worden ook de 60s en 70s invloeden weer uit de kast gehaald en is het trippen, fuzzen, garage-psychen en rock-’n-rollen op z’n Detroits. Het geluid evolueert doorheen de plaat van papperig en overstuurd tot ultrapsychedelisch en terug. Er werden kosten noch moeite gespaard om aan te tonen dat Takeshi (zang/bas/gitaar), Wata (gitaar) en Atsuo (drums) alle coherentieregels aan hun laars lappen.

Zo begint het met een afscheid: "Farewell" dreigt een minuut lang niet meer te zijn dan wat ambientvulsel, maar dan barst het nummer open als de door ettelijke liters laxeermiddel op gang geholpen stoelgang van een volwassen olifant. Het resultaat: My Bloody Valentine meets Sleep. Zweverige en gemanipuleerde zanglijnen (veeleer klankuitstotingen), een slepend ritme, zwaar borrelende bas en feedbackende gitaren. Shoegazing voor zwaarlijvigen, iemand? Na meer dan zeven minuten van dat spul begin je je als luisteraar voor te bereiden op een brij van drie kwartier, maar niets is minder waar. Het volgende halfuur toont Boris als turbo-rockers, garagerevivalisten en nonchalante warhoofden. Het titelnummer wordt voortgestuwd door een gigantische muur van geluid, terwijl Takeshi een degelijke imitatie van Damo Suzuki (Can) brengt.

Zo gaat het telkens een stapje verder: "Woman On The Screen" en "Electric" zijn nog boeiende ramrock die een brug slaat tussen MC5 en Cream, "Blackout" is de obligate Melvins rip-off, terwijl de garagenoise van "Nothing Special" (klopt!) en "Six, Three Times" de oude Dirtbombs doet klinken als Steely Dan. Het zwaar aan vervormingen onderworpen "Afterburner" is dan weer een slordige bluesjam die zélf bijna in slaap valt. Zo rolt het album verder, balancerend op de grens tussen "net geslaagd" en "liever niet, bedankt", tot het achttien minuten durende "Just Abandoned My-Self" ingezet wordt, een indrukwekkende geluidsorkaan van zwaar vervormde bas, gitaar en repetitieve zanglijnen. Het verschil wordt gemaakt door het gevoel van richting in de song, en als blijkt dat de laatste acht minuten eigenlijk worden gevuld door huilende, suizende en donderende instrumenten die tegen een versterker geleund staan, dan stoort het niet eens. Als geheel is het album echter enerverend zelfingenomen en moddert het vaak maar wat aan. Jammer, want er schuilt wel degelijk een straffe e.p. in Pink. Ponk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 + 17 =