RJD2 :: The Third Hand

Transfers in de muziekbusiness zijn even risicovol als in de
voetbalwereld. Je moet bijvoorbeeld al een echte topband zijn om
bij de overstap naar een major je identiteit te behouden
en tegelijkertijd de poort naar een groter publiek open te zwaaien.
Wat voor Mastodon vlekkeloos
verliep, blijkt voor RJD2 iets lastiger. Deze hiphop-producer en
sample-wizard verliet het hiphop-label Definitive Jux om bij XL
Recordings een poppy wind door zijn dichtbegroeide korenvelden te
laten waaien. Het beat-onkruid werd gewied, waardoor funky grooves
en vocale melodieën de kans krijgen om de halmen om te vormen tot
popfiguren in plaats van soundscapes vol knip- en plakselwerk. Op
zijn beste momenten komt ‘The Third Hand’ dicht in de buurt van het
vliegende popeiland van Gorillaz, maar we zouden een liegebeest
zijn als we beweerden dat RJD2 de cartoonhippop van Albarn en co
van de troon stoot.

Hiphop-producers die zich met loepzuivere pop inlaten, ze zijn
bijna even talrijk als overspelige VLD’ers. Dangermouse schaafde en
vijlde aan het geluid van zowel Gnarls Barkley als
Sparklehorse
en ook RJD2 heeft beslist om de DJ Shadow in hem een
vredespact te laten sluiten met zijn bewondering voor Brian Wilson en Jon
Brion. Dit akkoord staat gelukkig op steviger aangedraaide
schroeven dan de onderhandelingen tussen Palestina en Israël, maar
een consistente plaat levert het toch niet op. De blinkende
variatie aan stijlen maakt het gebrek aan een constante kwaliteit
en een te gepolijst geluid deels goed, maar een dosis grof Prefuse
73
-schuurpapier had deze plaat een grote dienst kunnen
bewijzen.

De muziekdoos van ‘The Third Hand’ wordt geopend met een dromerige
piano en tijdens de eerste plaathelft blijven we met kinderlijke
verwondering luisteren naar glinsterende pop die de doordachtheid
van een Studio 100-productie koppelt aan melodieuze spontaniteit.
Zo jammen Eels, The Whitest Boy Alive
en Gorillaz er op los in een door Pixar gecreëerde animatiefilm in
‘You Never Had It So Good’ en worden knappe zanglijnen opgehangen
aan gestileerde kapstokken van elektronische hooks en verslavende
drums in ‘Have Mercy’. Tegenover uitgekiende popstructuren met
koppen en staarten staat echter ook de instrumentale droomfunk van
‘Get It’ en de met klassieke passages gelardeerde downtempo
synthpop van ‘The Bad Penny’.

Halverwege ‘The Third Hand’ lijkt de kust dus veilig en stoeien
pop, electrofunk en hiphopbeats gretig met elkaar in de branding.
Dat is echter buiten de muzikale chloroform van de tweede
plaathelft gerekend, waarin verveling als een periscoop uit het
water verschijnt om alle zonnebaders in slaap te wiegen. De
opwindende variatie verandert in slaapdronken saaiheid en RJD2
slaagt er niet in om het tij te doen keren. ‘Paper Bubbles’ schuurt
zich tegen het saaiste werk van M83, ‘Rules For Normal Living’
blijft ver onder de middelmaat en ‘Just When’ is een minder
geïnspireerde variatie op een thema dat RJD2 een paar keer te veel
exploreert op ‘The Third Hand’.

‘The Third Hand’ is een nieuwe blauwdruk van de muzikale gaven van
RJD2, maar gaandeweg lijkt het multitalent verstrikt te geraken in
zijn zelfgesponnen popambities. Een halve plaat lang laten we ons
met plezier meestromen langs de toegankelijkere popautostrade van
deze plaat, maar gaandeweg missen we de Bison Futé van zijn
vroegere werk meer en meer. ‘The Third Hand’ is geen slechte plaat,
maar de eindejaarslijstjes zal RJD2 niet halen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 3 =