Julian Cope :: Jehovahkill 2006

Halfweg de jaren ’80 heeft Julian Cope een visioen: hij verschijnt
aan zichzelf (uit één of andere wolk), van kop tot teen in het leer
gehuld, als een popster-met-hits. Chris Blackwell van Island
Records – het label waar hij net heeft getekend, wrijft zich in de
handen. Cope, in die periode kampend met de gevolgen van fervent
lsd-gebruik durft waan en werkelijkheid wel eens meer door elkaar
halen, gelooft ook echt in die droom, en schenkt zijn nieuwe
platenfirma in 1987 met ‘Saint Julian’ meteen zijn meest
succesvolle plaat ooit.
Opvolger ‘My Nation Underground’ (1988) is een stuk wisselvalliger,
maar toch nog goed voor enkele hits. Hét commerciële én artistieke
hoogtepunt uit Copes Island-periode is ‘Peggy Suicide’ (1991).
Tijdens de toer die volgt ontdekken Cope en gitaartechnicus Rizla
Deutsch dat zij beiden zware krautrockfans zijn. De volgende plaat
die Julian Cope opneemt voor Island moét en zal dan ook een
eerbetoon worden aan de ‘Kosmische Musik‘, die Duitsland
sinds het eind van de jaren ’60 weer op de muzikale wereldkaart
zette.

Blackwell is zich van geen kwaad bewust. Hij ziet er dan ook geen
graten in dat Cope naar Zuid-Londen trekt om met enkele
gelijkgestemde zielen een plaat op te nemen die ‘Julian H. Cope’
zal heten. Island reageert verbijsterd wanneer de opnames voor het
eerst beluisterd worden: van iemand als Cope worden fijne popplaten
verwacht met hits, geen pretentieuze, heidense rotzooi. Hij wordt
dan ook vriendelijk doch met aandrang verzocht van vooraf aan te
beginnen, maar weigert. Contractbreuk dreigt, tot Island zelf met
een compromis voor de dag komt: de tien songs van ‘Julian H. Cope’
blijven behouden, op voorwaarde dat er nog een pak toegankelijkere,
hitgevoelige nummers bij komen. Het uiteindelijke resultaat,
‘Jehovahkill’, klinkt zo mogelijk nog extremer. Island neemt
weerwraak: ondanks de uitstekende perskritieken belandt Cope een
week na de release op de straatstenen.

Wat is er nu zo bijzonders – of ‘weerzinwekkend’ – aan dit album?
Niks, behalve dan dat Cope voor het eerst (en zeker niet voor het
laatst) volledig zijn zin heeft gedaan. Er staat één uitstekende,
zelfs radiovriendelijke single op, ‘Fear Loves This Place’, maar
voor de rest is het een smakelijke ratatouille van Can-, Faust- en
Neu!-invloeden, psychedelische folk, trancepunk en zelfs
technoritmes en een snuifje funk. Niet echt vernieuwend, wel nieuw
voor de fans die hem al jaren trouw volgen. Wel opvallend en
ongewoon is de thematiek: Cope is enorm gefascineerd door de
heidense, megalithische culturen die Europa en de Britse eilanden
een paar millennia geleden bevolkten, en zet zich in zijn
lyrics (en het booklet) op een erg fanatieke manier af
tegen de monotheïstische godsdiensten die deze culturen de kop
indrukten en vernietigden.

Het is nooit meer goed gekomen tussen de zelfverklaarde aartsdruïde
en Island, zeker niet als u weet dat het label nooit gedraald heeft
om de ene compilatie na de andere uit te brengen met hits en
afleggertjes. Groot was dan ook onze verrassing toen dit
heathen folk masterpiece enkele weken geleden, naar
aanleiding van de vijftiende verjaardag, met veel bombarie werd
heruitgebracht. Met toestemming én onder supervisie van Cope
himself.
We haalden de oorspronkelijke ‘Jehovahkill’ in ’91 al in huis (ons
leven was sindsdien niet meer hetzelfde), toch aarzelden we geen
seconde toen we hoorden van deze re-issue. Voor één keer
is het geen heruitgave die het moet hebben van een extra dvd of van
geremasterde opnames, maar van een tweede cd met zestien nummers
die niet op de originele versie stonden. Natuurlijk zijn het op de
tweede cd niet allemaal parels (anders hadden ze wel op de eerste
gestaan), maar er staan méér dan genoeg hoogtepunten op om de
mindere momenten van de originele ‘Jehovahkill’ te counteren.

Ook na vijftien jaar blijft het merendeel van ‘Jehovahkill’
moeiteloos overeind, zoals ‘No Hard Shoulder to Cry On’, ‘The
Mystery Trend’, ‘Know (Cut My Friend Down’, ‘Gimme Back My Flag’,
zuivere krautrockers ‘Necropolis’ en ‘The Subtle Energies
Commission’, het epos ‘The Tower’ en natuurlijk ‘Fear Loves This
Place’. Voor de songs die de tand des tijds niet helemaal
doorstonden, staan er op de bonus-cd genoeg jokers zoals ‘I Have
Always Been Here Before’ (een bewerking van een Roky Erikson-song),
‘Vivien’, ‘Sqwubbsy the Olmec’ en de meer dan 21 minuten durende
versie van het spacefunknummer ‘Poet is Priest’ om de vijf sterren
van ’91 te behouden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × vijf =