0.1875




4u30. Een eenzaam uur, dat tussen twee stoelen valt: het is te
vroeg om op te staan en toch ook weer te laat om nog te gaan
slapen. Ik weet niet of er veel mensen dit uur echt bewust
meemaken. De meesten brengen het op dezelfde manier door: al
slapend, snurkend, brommend of zoals ik: als een marmotje.
Niettegenstaande mijn benijdenswaardig sociaal leven en mijn
onmeetbare sex-appeal, moet ik toegeven dat er rod dit uur
doorgaans maar weinig wereldschokkends gebeurt, behalve dan in mijn
dromen (een Mexicaan met reuzegrote handen die op mij komt
afgestapt en met mij wil paardrijden, help!).

Voor Xiao Wu, het elfjarige jongetje uit de film, is 4u30 wél
een bijzonder tijdstip. Elke nacht staat hij op dit magische uur op
om zijn Koreaanse roommate Jung te bespioneren, een
thirty-something met een drankprobleem en een gebroken
hart. De kleine Xiao Wu sluipt rond zijn bed, inspecteert zijn
bezittingen met het lampje van zijn gsm en houdt alle ontdekkingen
van zijn rooftocht zorgvuldig bij in een plakboek: een foto, een
schaamhaar, zelfs een traan. Xiao Wu is veel alleen en Jung blijkt
zowat de enige persoon in zijn leven te zijn, op een vrouwenstem
aan de telefoon na. Hij klampt zich helemaal vast aan deze
melancholische man en raakt er licht geobsedeerd door. Met kleine
daden probeert Xiao Wu zijn aandacht te trekken: hij perst een glas
fruitsap en zet het aan zijn deur of hij haalt grapjes met hem uit.
In zijn fantasie ontwikkelt Xiao Wu een virtuele band met de man.
Maar ook in werkelijkheid groeit er aarzelend een verstandshouding
tussen de twee. Ze spreken misschien een verschillende taal, zien
elkaar zelden (daarom staat Xiao Wu ‘s nachts op), toch zijn ze in
essentie met elkaar verbonden: ze delen eenzelfde gevoel dat
eenzaamheid heet.

‘4:30’ wijkt af van de traditionele structuur van een film. Of
het om nu actie, horror of de zoveelste zeemzoeterige romantische
filmbonbon gaat, het doorsnee Kinepolisvoer heeft meestal een
verhaal met spanningsopbouw, pittige dialogen en het liefst ook een
snel tempo. ‘4:30’ niet. Er gebeurt weinig, er wordt weinig gezegd
en het gaat over banale bezigheden. Alles wordt uitgedrukt via
lichaamstaal en is voor eigen interpretatie vatbaar. Kenmerken die
we bij de recente Aziatische cinema wel eens vaker terugvinden. Dit
soort Aziatische films blijkt in Europa wel aan te slaan, maar een
“zwijgzame film” staat natuurlijk niet sowieso garant voor straffe
cinema. Doorgaans hangt de slaagkans van deze prenten af van twee
grote valkuilen die kost wat kost vermeden moeten worden:
slaapverwekkendheid en ontoegankelijkheid.

Royston Tan volgt met zijn debuutfilm de trend der traagheid,
maar hij weet de valkuilen te ontlopen en er alleen de voordelen
van het genre uit te persen. In ‘4:30’ vinden we bijvoorbeeld het
typische tafereel terug van iemand die levensmoe voor zich uit zit
te staren terwijl hij een sigaretje rookt, maar ineens merkt hij
dat zijn sigaretten in twee zijn geknipt. Dit om maar te
illustreren dat het filmpje iets extra ondeugends heeft. De
regisseur maakt gebruik van lange close-ups, maar die zorgen niet
voor leegte, eerder voor ruimte. Door het schrappen van
overbodigheden, heb je als kijker de tijd en ademruimte om zelf
alles in te vullen en je dingen af te vragen als: waarom zou Xiao
Wu alleen zijn? Wat zou hij al meegemaakt hebben? Waarom heeft hij
de neiging om zijn buurman te stalken?

De wereld van het jongetje is bovendien heel fascinerend. Aan de
hand van de routinebezigheden van Xiao Wu (die heel stijlvol in
beeld gezet zijn), leer je hem goed kennen. Hij is verdrietig en
zoekt troost en aandacht, maar probeert anderzijds ook lekker kind
te zijn. Hij intrigeert en ontroert in zijn bizarre, zelfs grappige
handelingen – zo kan hij bijvoorbeeld de dialogen van een film
volledig uit het hoofd kan meezeggen.

Als 4:30 een toneelstuk was geweest, dan had de kijker bij wijze
van spreken op het podium mogen zitten. Ik kreeg het gevoel dat ik
heel dicht bij iemand mocht zijn, dat ik in zijn leven een kijkje
mocht nemen, dat ik haast onder zijn oogleden mocht piepen en mee
droevig mocht zijn met hem. Het wordt dan nog eens een dubbele
karakterstudie: we observeren het gedrag van Xiao Wu, die op zijn
beurt elke beweging van Jung analyseert.

Royston Tan pusht de kijker nooit. Bij de doorsneefilm wordt er
vooraf bepaald en getimed wanneer de kijker zal lachen, huilen,
zijn adem inhouden of eventueel ‘de truc met de bril’ uithalen (je
bril op het puntje van je neus zetten, zodat als het te griezelig
wordt, je alles wazig ziet. Of doet niet iedereen dat?). Alles
wordt voor de kijker voorgekauwd, hij wordt gemanipuleerd en hoort
bepaalde dingen te voelen. Dan is een film als deze wel eens een
verademing. In plaats van een multiple choice opdracht (zoek de
dader! Voorspel het einde! Hoe zullen de twee geliefden toch
samenkomen?), geeft ‘4:30’ eerder een heleboel open vragen mee en
in tegenstelling tot wat gewone films doen, krijg je op het einde
geen antwoorden mee. Zo’n films vragen een inspanning van de
kijker, omdat je ervan maakt wat je wilt. Je krijgt impulsen, maar
vult zelf in wat je daarmee doet, er zijn geen richtlijnen, maar
ook geen beperkingen.

Ontoegankelijk is ‘4:30’ evenmin. De vraag “wat moet ik hier in
godsnaam mee aanvagen?” duikt wel eens op, maar het is allemaal
niet moeilijk te begrijpen en er is duidelijk een universeel thema
aanwezig waar we allemaal wel eens mee te kampen hebben:
eenzaamheid en het verlangen naar aandacht.

De film is kortom een intelligente mix van prachtige
beeldvoering in diepe kleuren en een vertederende, complexe
psychologische studie van twee eenzame sloebers, die troost zoeken
in instant noodles en ook een beetje bij elkaar. Een film
als een uitgeknipte traan: verdriet dat net iets tastbaarder wordt
dan gewoonlijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + twaalf =