Made Out Of Babies :: Trophy

U had erbij moeten zijn toen het New Yorkse kwartet Made Out Of Babies een paar maanden geleden het landelijke Diksmuide aandeed met het goede volk van Amen Ra en Red Sparowes, en er niet enkel in slaagde het optreden van de avond te spelen (al durven de meningen daarover te verschillen), maar ons ook een hersenschudding bezorgde zonder een vinger naar ons uit te steken. Trophy beluisteren is minder intens, maar het bracht ons wel aan het mijmeren.

Een vreemd bandje is het: een onopvallende, maar hard kloppende drummer, een bassist met schandalig lelijke tattoos en een hangsnor die hem succes zou opleveren langs de Reeperbahn en een gitarist met de carrure van Henry Rollins, maar dan een kop groter. Voeg daar nog een hyperactief en uitzinnig schreeuwend mieke aan toe, en je hebt Made Out Of Babies, een furieus rockend gezelschap dat ons terugvoert naar een tijd dat nieuwe gitaarrockbands nog gevaarlijk waren en bedankten voor conformisme. Ze hebben duidelijk geluisterd naar 80s lawaai van deugende labels als Touch & Go en Amphetamine Reptile, en gaan tekeer met een bezetenheid die ook bands als Big Black, Helmet, Unsane, Come, The Jesus Lizard, en Cop Shoot Cop kenmerkt(e). Bands die het meenden.

Dat MOOB plots opdook bij Neurot Recordings, uitvalsbasis van o.m. Neurosis en Om vertelt ook al wat meer over de richting van hun lawaai: snoeiharde, hoekige grootstadsrock waar de lompe zwaarheid van de Melvins en Neurosis en de avontuurlijke metal van de Relapse-stal ook een vinger in de pap hebben gehad. Geen idee waar zangeres Julia Xmas het over heeft, maar dat maakt dan ook geen bal uit: het draait om de afwisseling van gekreun, gegrom, gezucht, geschreeuw, gekir, gehuil, gehijg en gebrul, om schuimbekkende furie, een nietsontziende energiestoot en een bij momenten haast zieke sfeer. Grillige gitaarfiguurtjes gaan het gevecht aan met conventionaliteit, flarden meezingbaarheid duiken op en nemen vervolgens de benen, de ene schijnbeweging volgt de andere op.

Live was het niet minder dan de soundtrack bij de bloederigste slachtpartij denkbaar, maar ook op een zilveren schijfje levert de aanpak verschroeiende resultaten op. Gitarist Bunny hanteert zijn instrument als een bot fileermes, terwijl basman Cooper inbeukt op de fundamenten en drummer Matthew Egan de mengeling van semi-industriële punk, hondsdolle metal en math-noise in goede banen leidt. De vervormde en uitzinnige "zang" van Xmas vormt steeds het orgelpunt en reduceert het gejammer van meisjes als Kat Bjelland (Babes In Toyland), Courtney Love (Hole) en Corin Tucker (Sleater-Kinney) tot meisjesschoolgejengel.

De band maakt het er de luisteraar niet makkelijk op: songs bewegen zich grillig, onvoorspelbaar, hortend en stotend voort, lijken soms terug te vallen op arbitraire wendingen en schokeffecten, maar als de stukjes allemaal samenvallen, dan is het resultaat puur, nihilistisch geweld. "Ire Fire", "Loosey Goosey" en "Herculoid" nemen je mee naar geschifte schouwspelen in schemersteegjes waar zelfs Clive Barker niet aan durfde te denken, "Gut Shoveler" stompt even pervers en hard als de titel suggereert, "Sugar" is The Wizard Of Oz voor gevorderden en het botte gebeuk van "Swarm" krijgt ons al helemaal aan het kwijlen. Bloeddoping is verleden tijd. De terugkeer van testosteron is een feit.

De songs laten hier en daar wat steken vallen en dat valt vooral op in de refreinen: die van "Sugar" en "Swarm" willen de effectiviteit van de strofes wel eens onderuit halen. Ook de korte tussenstukjes komen het ritme van het album niet ten goede, al is het sowieso geen plaat om met je vrienden naar te luisteren. Trophy is een schijnheilige smeerlap, het soort album dat als een vals loensende en nahappende pitbull terriër aangepakt moet worden, maar het is ook een enorm opwindende brok energie, een vitale splinterbom met een bloedrauwe kracht die moeiteloos de minpuntjes compenseert. Met omzichtigheid en beschermende kledij te benaderen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf + 15 =