Tapes ‘n Tapes :: The Loon

Het concept was er vóór de muziek. Frontman Josh Grier bokste ettelijke jaren voor er nog maar sprake was van de band Tapes ’n Tapes een gelijknamige website in elkaar. Beweren dat je in een bandje speelt, is immers een beproefde truc om heelder hordes grieten aan je gitaarhals te rijgen. En hoe kan je dat imago van stoere rocker beter cultiveren dan een stel internethipperds volledig om te krijgen?

Uiteindelijk heeft de werkelijkheid de fantasie ingehaald. Een imaginaire band, allemaal goed en wel, tot je cafékameraden dreigen je met een biljartkeu te lijf te gaan als je je niet als de donder naar dat podium begeeft. Bovendien blijkt beweren dat je bassist bent een niet al te probaat middel om menige nacht online minder eenzaam te maken (frontman, tot daar aan toe). Wat de aanleiding ook was, Grier besefte dat een échte band — met instrumenten, nummers en dergelijke bijkomstigheden — hem geen windeieren zou leggen.

Enkele jaren later vind je dan als goddeaurecensent een half vergane bruine enveloppe op je deurmat met daarin een promo-exemplaar van The Loon en de bijhorende bio. Normaliter pennen we die bio ijverig over en gaan we frisbeeën met dat zilveren schijfje. Deze keer konden we dat echter niet over ons hart krijgen. Het resultaat van zoveel noeste huisvlijt die Tapes ’n Tapes aan de dag heeft gelegd, verdient immers meer dan een snel afgehaspelde recensie. Dit is immers geen debuut dat ons ertoe aanzet vierduizend tekens lang ons klavier stuk te knauwen van ergernis.

Integendeel, er zijn van die albums waarbij je na de eerste track al enkele paragrafen bij elkaar geklad hebt. Zo’n opener als "The Loon" bedoelen we dan. Drie minuten powerpop, geschoeid op de klassieke Pavement-school en we dartelen al enthousiast rondjes rond de hifi-installatie. "Beloftevol", wordt neergepend in de aantekeningen en in het vet omcirkeld als "Insistor" de revue passeert. Mocht popmuziek geen vergaarbak zijn voor platte commerciële troep, dan zou deze opgefokte country met attitude en cabareteske inslag ongetwijfeld bovenaan de Ultratop kamperen.

Onderhuidse destructiviteit, zonder puberale connotatie, vinden we ook terug op "In Houston". Met gierende gitaren en teksten gedrenkt in surrealisme weet dit soort nummers de plaat op zijn minst interessant te houden. Neem nu een track als "Manitoba". "Een absolute stinker", stond er eerst op de blocnote genoteerd, maar de heftige gitaarinterruptie op het einde was eventjes jammerlijk aan de aandacht ontsnapt en bracht ons in no time terug bij de les.

Het moet niet altijd even hoogstaand zijn, zo bewijst het alleraardigste tussendoortje "Cowbell". Wat de frontman allemaal met je moeder uitsteekt, dat wil je niet weten. Dat hij er een erg leuk nummer over kan schrijven, is van primordiaal belang. "Omaha" dreint op niet onaangename wijze een eind weg en "10 Gallons Ascots" is een soort overzichtstrack waarin Tapes ’n Tapes zijn eigen geluid op zo’n vijf minuten tijd weet samen te vatten: pop met nuance in de vorm van het betere gitaarwerk (of een incidentele xylofoon, godbetert).

De afgeknotte flair van Pavement werd meesterlijk gecombineerd met opgefokte gitaren of een uitstapje richting Talking Heads. Het buitenechtelijke kind zijn van twee lelijkerds van formaat blijkt voldoende trauma’s te initiëren om met een uitstekend debuut voor de dag te komen. Hier en daar mag het nog een beetje scherper maar ach, daar malen we niet om. Grier evenmin, met een dergelijk debuut moet het immers verdomd moeilijk zijn je nog eenzaam te voelen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + twaalf =