Luke Temple :: Hold A Match For A Gasoline World

Het is om zot van te worden. Waar je twintig jaar geleden wist wanneer uit te kijken naar welke plaat, lijkt het nu alsof je 24/7 op je hoede moet zijn om in te kunnen pikken op de ene klassieker na de andere, die als parels voor de zwijnen verschijnen, om meteen opnieuw te verdwijnen. Labels kondigen de ene victorie na de andere aan, legers van genieën kunnen gevormd worden en het is gewoon allemaal briljant. Wel… fuck off, het is genoeg geweest.

Door de beschikbaarheid van degelijke en goedkope opnameapparatuur, de sterke toename van verspreidingskanalen, de vermenigvuldiging van het aantal onafhankelijke labels en de lagere productiekosten kan zowat iedere aspirant-muzikant zijn/haar probeersels zonder veel moeite aan de man brengen. Mits enige kwiekheid en technologisch inzicht in the digital era is het perfect mogelijk om in de beslotenheid van een zolderkamer een afgewerkt product in elkaar te steken. Helaas wordt ook de muzikant als artiest van zijn voetstuk gehaald, om nog maar te zwijgen over de verlaagde standaard en het gebrek aan substantiële kritische input, wat leidt tot een schier onoverzichtelijke stroom aan middelmatige releases, producten die een decennium (of langer) geleden nooit in een winkel waren terechtgekomen.

Gelukkig zijn er tussen de volhardende doe-het-zelvers wel degelijk talenten wiens werk wél de moeite loont. Hold A Match For A Gasoline World van Luke Temple is het resultaat van jaren schrijven en schaven, werd opgenomen in 2004, uitgebracht in 2005 door het kleine Mill Pond Records, en nu nog eens via Fargo, dat probeert deze kleine man en zijn debuut alsnog onder de aandacht te brengen. De promo babble sleept — surprise! — Nick Drake, Belle & Sebastian en Elliott Smith erbij, maar de invloeden en vergelijkingspunten gaan wel wat verder dan dat. Zo katapulteert het nerveus huppelende "Someone, Somewhere" de luisteraar terug naar de folk-swing van Dan Hicks & His Hot Licks en de jazz-folk die de late jaren zestig en vroege 70s even furore maakte, terwijl Temple’s stem soms akelig veel op die van Paul Simon lijkt.

Tijdens het fingerpickin’ miniatuurtje "Make Right With You" is die invloed nog duidelijker: ’s mans hoge uithalen hadden zo op Still Crazy After All These Years gekund. Ondanks deze schatplichtigheid aan een traditie van enkele decennia oud, is Temple ook een kind van zijn tijd: "In The End" leunt aan bij de gezapige pop/rock van Frank Black en, inderdaad, Elliott Smith, terwijl het breed uitwaaierende einde het legendarische Liverpoolse combo salueert. Schijnbaar eenvoudige riedels en overgangetjes passeren zo de revue, maar meerdere beluisteringen geven de meticuleuze aandacht die in de meldodieën is gestoken, prijs: of het nu gaat om het trage "Radiator Blues" (Jeff Buckley knikt ergens goedkeurend), het speelse "Old new York" of de mellotron-trance van "Private Shipwreck" (dat zich kan meten met de narcoticapop op Grandaddy’s The Sophtware Slump); Temple weigert hardnekkig genoegen te nemen met halfafgewerkte ideeën.

Voorzichtig beroerde snaren en pedal steel-bijdragen kleuren het walsende "To All My Good Friends, Goodbye", en "Get Deep, Get Close" komt dan weer in de buurt van countryrock zoals Cake ze zou brengen, maar dan zonder dat irritante "heb je ’m?"-toontje en mét klarinet. Het zijn deze onopvallande details, de pretentieloze spirit en de aandacht en toewijding die in de plaat zijn gestoken die het ruimschoots boven de middelmaat tillen. Hold A Match… is geen klassieker, en het is een beetje jammer dat het kinderlijk luchtige "Someone, Somewhere" geen vervolg krijgt, maar het album heeft niettemin een evenwicht gevonden tussen traditie en een eigen geluid en is gewoonweg te aardig om zomaar aan de kant te schuiven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − 3 =