13 (Tzameti)




Dit is wat je dan noemt een schoolvoorbeeld van out of the
blue-cinema
: Géla Babluani, een Franse regisseur van Georgische
origine, maakte in 2002 een kortfilmpje dat door niet al te veel
mensen werd gezien en verdween vervolgens drie jaar lang van het
toneel. Tot hij in 2005 plotseling de internationale filmfestivals
begon af te dweilen met deze ’13’, zijn eerste langspeler. Niemand
had hem zien komen, Babluani kwam binnengevlogen onder de radar van
praktisch iedereen in de business – maar verdomd, hij had toch een
fijn filmpje in elkaar gestoken.

George Babluani (de jongere broer van de regisseur) speelt
Sébastien, een dakwerker die ergens in een Frans boerengat een
armtierig leventje leidt met zijn familie. Wanneer hij wordt
ingehuurd voor een aantal klusjes aan het huis van de mysterieuze
meneer Godon, vangt hij vreemde dingen op: de man in kwestie blijkt
verslaafd te zijn aan morfine, hij komt net uit de gevangenis en
voert geheimzinnige gesprekken waarin sprake is van grote
hoeveelheden geld. Kort na zo’n gesprek komt er een enveloppe aan
met een treinticket naar Parijs.

Wanneer meneer Godon sterft, blijft Sébastien achter met het
treinticket, maar zonder betaald te worden voor zijn werk. Met de
gesprekken over het geld in het achterhoofd, besluit hij naar
Parijs te gaan in Godons plaats – maar dat zal een vergissing
blijken te zijn.

’13’ straalt van de eerste tot de laatste minuut uit dat het een
low budget debuutfilmpje is: opgenomen in korrelig zwart-wit, met
de broer van de regisseur in de hoofdrol en minimale sets. We zien
het huis van meneer Godon, de flat van Sébastiens familie en, in de
tweede helft van de film, het huis waar het treinticket
uiteindelijk naartoe leidt. En dat is het wel zo’n beetje – de
filosofie van ’13’ lijkt te zijn geweest: “hoe kunnen we voor zo
weinig mogelijk geld een film draaien?” Soms leiden dat soort van
financiële en logistieke beperkingen tot pijnlijke tekortkomingen
in de film zelf, maar ze kunnen ook aanzetten tot creativiteit:
afgezien van een ongeveer tien minuten durend segment waarin
Sébastien het spoor van het treinticket volgt, speelt zowat de hele
film zich binnenskamers af, wat een soms extreem claustrofobisch
gevoel oplevert. Babluani’s kadrering benadrukt dat effect ook: met
zijn breedbeeldfotografie lijkt hij telkens, willen of niet, tegen
de muren van zijn sets op te botsen. De personages worden telkens
ingesloten door die benauwend kleine gebouwen en door elkaar. De
beeldvoering versterkt het gevoel vast te zitten, nergens naartoe
te kunnen, door een groot canvas te nemen en dat vervolgens vol te
stouwen met muren, mensen, schaduwen, voorwerpen. De flat van
Sébastien lijkt te klein voor het meubilair dat er binnenstaat, het
huis van Godon wordt dan weer opgeslokt door schaduwen, in het huis
waar het leeuwendeel van de film zich afspeelt zitten veel te veel
mensen binnen.

Het eerste half uur van de film ontwikkelt zich een beetje in de
trant van een vroege Roman Polanski: Sébastien moet zich een beeld
vormen van de vreemde meneer Godon via half opgevangen conversaties
en gedragingen die alles en niks kunnen betekenen. De paranoia
wordt dan ook steeds groter – wat voor mensen zijn dat en wat zal
er met Sébastien gebeuren eens hij in Parijs aankomt? We vangen
vage overtonen op van ‘Cul-de-Sac’ en ‘The Tenant’, ook al door een
gelijkaardige visuele stijl, maar ondanks dat alles kreeg ik toch
de indruk dat dat eerste luik van ’13’ enigszins richtingloos was,
alsof de regisseur teveel tijd nodig had om naar het centrale deel
van zijn film toe te werken.

Tot we aan dat centrale deel toekomen, natuurlijk. Het is zeer
verleidelijk om u te verklappen wat er nu precies gebeurt aan het
einde van de treinrit – en bijzonder veel recensies doen ook geen
moeite om dat verborgen te houden – maar het is ongetwijfeld beter
om zonder voorkennis aan de prent te beginnen. Laat het volstaan te
zeggen dat ongeveer 50 minuten van deze film bestaan uit één lange
sequens, waarin Babluani voor eens en voor altijd bewijst dat het
best mogelijk is om bijna een uur lang een enorme suspense aan de
gang te houden, zonder je publiek uit te putten. De regisseur weet
wanneer hij pauzes in zijn film moet leggen om de spanning erin te
houden, hij weet herhaling te gebruiken om (op de best mogelijke
manier) op de zenuwen van zijn publiek te werken, hij gebruikt een
subjectieve cameravoering om de emoties van zijn hoofdpersonage
duidelijk te maken (die travellings rond dat gloeilampje!) én hij
beschikt over een doorleefde acteerprestatie van zijn broer George.
Tegen het einde van de film staat Sébastien emotioneel en fysiek
uitgeput, zwetend uit al z’n poriën tegenover de camera uit te
hijgen, en we krijgen als publiek min of meer hetzelfde
gevoel.

Uiteindelijk is ’13’ wellicht iets te afhankelijk van z’n
plotmechanismen – we komen maar zeer weinig te weten over wie de
personages precies zijn, zodat de suspense volledig afhangt van de
afloop van het verhaal. Je kunt je dan afvragen of de film ook een
tweede visie zal doorstaan, eens die afloop gekend is. Maar hoe het
ook zij: de geraffineerde beeldvoering, en bovenal de magistrale
spanningsopbouw zorgen ervoor dat ’13’ een meer dan beloftevol
debuut is. Een meesterwerk zou ik het niet willen noemen, daarvoor
duurt het te lang voordat de prent z’n draai vindt, maar toch –
hier zitten zoveel knappe dingen in, dat ik ergens halverwege
Hitchcock goedkeurend hoorde grommen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × twee =