The Open :: Statues

Het heeft Steven Bayley, frontman van het Britse vijftal The Open,
een tijd niet bijster meegezeten. In de zomer van 2004 bracht de
groep het (terecht) bejubelde debuut ‘The Silent Hours’ uit, maar
vervolgens begon het allemaal zo’n beetje fout te lopen. De drummer
vertrok, maar nog steeds ‘zot van glorie’ trok The Open aan het
einde van dat jaar alweer de studio in voor een opvolger. Gezwollen
ambities leidden tot pompeuze songs, maar gelukkig had de band dat
zelf snel in de smiezen. De hele expeditie werd dan maar – eh –
opgeblazen. Het ‘moeilijke tweede plaat’-syndroom, weet je
wel.
In tussentijd werd Bayley ook nog eens gedumpt door zijn vriendin.
Een fait divers misschien, maar in het geval van The Open had het
wel rechtstreekse gevolgen voor het nieuwe songmateriaal. De tien
songs op ‘Statues’ zijn dan ook min of meer tien standbeelden
geworden die door Bayley en co werden gebeiteld ter nagedachtenis
van een teloor gegane liefde. En net als Supergrass en Clearlake eerder deden, togen ook zij
naar la Douce France om hun wonden te likken, zich op de
plaatselijke keuken en cultuur te storten en hun luduvudu in
plaatvorm te gieten.

Muzikaal is er dan ook heel wat veranderd, al staat de groep nog
steeds garant voor erg smaakvolle pop. Daar waar ze in het verleden
tot de volgelingen van The Verve, Doves, Echo and the Bunnymen,
Radiohead en vroege Coldplay (ze dankten hun eerste platencontract
ondermeer aan het feit dat elk label toen wel op zoek was naar
‘haar’ Coldplay), heeft The Open deze keer getracht wat meer te
experimenteren met songstructuren en een uitgebreider
instrumentarium. Op ‘Statues’ lappen de Liverpudlians het
strofe-refrein-strofe-etc…-regeltje vrolijk aan hun laars.
Sommige songs klinken bijgevolg erg kaal en sober (zoals het
titelnummer), andere nummers zijn dan weer tot in de puntjes
uitgewerkt, gelaagd en rijk gearrangeerd.
Het is en het blijft natuurlijk Britpop voor gevoelige zielen,
zoals die tien jaar geleden ook al werd gemaakt door Strangelove,
Geneva en Unbelievable Truth, maar ‘Statues’ is veel gevarieerder
en dat maakt het makkelijker de plaat in één keer uit te zitten,
zonder te geeuwen. De groep luisterde in de aanloop naar ‘Statues’
ook veel naar o.a. Miles Davis, Cocteau Twins, Talk Talk (‘Spirit
of Eden’), Scott Walker en The Blue Nile en ook dat hoor je.

Sterk is het begin van de plaat: het met een gedempte trompet
versierde ‘Forever’ zet meteen de toon én de sfeer. Eerste single
‘We Can Never Say Goodbye’ begint als Prefab Sprout, maar schakelt
vervolgens over naar Radiohead uit de ‘The Bends’-periode. Het zal
overigens niet de laatste keer zijn dat The Open aan de Oxford Five
doet denken: sommige songs (‘Lovers in the Rain’, ‘Seasons of the
Change’) klinken als het ware als missing links tussen de Radiohead
van ‘The Bends’ en die van ‘OK Computer’.
Andere hoogtepunten zijn de mini-rockoperaatjes ‘My House’ en
‘She’s a Mystery’, die doen denken aan de sterke momenten van
(uche, uche) Mansun, terwijl het erg sfeervolle, haast filmische
‘Alone’ bij emotioneel geconstipeerde zielen wel eens tot die lang
verwachte (of verhoopte) tranenwolkbreuk zou kunnen leiden.

Erg vrolijk wordt je niet van ‘Statues’, maar in onze statuten
staat nergens vermeld dat dat per se hoeft. Behandel deze plaat met
zachtheid en je hebt er een ‘vriend’ voor het leven bij.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − zes =