Proof




Een nieuwigheidje: na films als vermaak, films als educatief
werktuig en films als pamflet, krijgen we er nu zowaar één als
laxeermiddel. Nooit gedacht dat ik dat nog zou mogen meemaken. En
toch is dat het enige praktische nut dat ik zo meteen kan bedenken
voor ‘Proof’, een onuitstaanbaar melodrama waar ik na een tijdje
behoorlijk het schijt van kreeg. Deze draak is zo slecht dat je op
den duur de indruk krijgt dat de makers je opzettelijk pijn willen
doen.

Gwyneth Paltrow speelt Catherine, de dochter van Robert (Anthony
Hopkins), een briljant wiskundige die tijdens de laatste jaren van
zijn leven vrijwel volkomen krankzinnig is geworden. Catherine
moest haar studies opgeven om voor hem te zorgen terwijl hij dag
in, dag uit notaboekjes volpende met onsamenhangende pogingen tot
mathematica: “x is gelijk aan de wolken. X is de boeken in de
boekenwinkel is gelijk aan oneindig.” Wanneer Robert eindelijk
sterft aan een hersenbloeding, is zijn dood dan wel triest, maar
ook een verlossing voor Catherine, die hoe langer hoe meer aan haar
eigen mentale gezondheid begint te twijfelen. Vlak na Roberts
begrafenis vindt zijn assistent Hal (Jake Gyllenhaal) een schriftje
in Roberts bureau met daarin een briljant bewijs van een wiskundige
theorie – was dit het werk van de grote, dementerende wiskundige op
een helder moment? Of heeft Catherine het baanbrekende werk
geschreven?

In de film probeert men rond het auteurschap van dat bewijs een
soortement thrillerplotje op gang te brengen, hoewel je al erg
naïef moet zijn om erin te geloven. Stel: je weet dat een
belangrijk mathematicus op latere leeftijd is gaan dementeren. Je
vindt na zijn dood in zijn bureau meer dan honderd schriftjes met
onsamenhangende, kinderlijke onzin, en één schriftje met een
wonderlijke theorie die een revolutie in de wiskunde kan betekenen.
De dochter van die mathematicus, zelf ook geen kalf, zegt dat zij
het heeft geschreven. Geloof je dat of niet? In ‘Proof’ probeert
men u dus een half uur lang te onderhouden met deze prangende vraag
– alleen wiskundigen kunnen zo dom zijn dat ze het antwoord niet
van een kilometer afstand zien aankomen. Zoals Woody Allen al zei:
‘I love intellectuals. They prove that you can be absolutely
brilliant, yet have no idea what’s going on.’

Maar die ongeloofwaardigheid van de plot is lang niet het ergste
problem – veel erger is de volstrekte onoprechtheid van elke emotie
waar ze zich in ‘Proof’ aan wagen. Alles wordt bewust bigger
than life
gemaakt, alle gevoelens worden drie of vier keer
uitvergroot en dan met een ontzagwekkende pathos op het scherm
gesmeten. Voorbeeld: Catherine begint na een tijdje zelf te
twijfelen of zij nu de auteur is van het schriftje of niet. De
emotie in kwestie is dus wat je kunt noemen: vertwijfeling. Hoe
regisseur John Madden dat in beeld zet? Hij laat Gwyneth Paltrow
als een bezetene het bureau van haar vader overhoop halen, waarna
haar zus Claire (Hope Davis) komt kijken wat er aan de hand is.
Catherine begint te roepen, te huilen en te schreeuwen en zakt
uiteindelijk op de grond, om door Claire getroost te worden. Dat is
serieus wat, vindt u niet? En dat is dan nog één van de rustiger
scènes. Subtiliteit of understatement zijn de makers van dit
onding volkomen vreemd: ze blijven doordrammen op elke emotie tot
zelfs de meest ongevoelige klootzak het begrepen heeft.

Paltrow speelt dan ook navenant: ze bevindt zich in een constante
staat van hysterie. Haar ogen zijn geen moment droog en wanneer ze
dan toch eens even kalmeert, kruipt ze weg in een lethargische
toestand die al evenzeer naar clichés riekt. La Paltrow speelt een
half zothuis, en we zullen het geweten hebben. Dit is het soort van
rol dat ervoor gemaakt is om prijzen te winnen. Zij en Madden
stonden acht jaar geleden al op het oscarschavot met ‘Shakespeare
in Love’, en nu hengelen ze allebei overduidelijk naar een
herhaling van dat succes. Ik zie het nog niet zo snel
gebeuren.

‘Proof’ is een Drama met een hoofdletter D, een film die wanhopig
serieus genomen wil worden en bijgevolg terminaal in overdrive
schiet: nóg een huilscène, nóg een lange monoloog, nóg wat
overspannen gegil. Misschien is dat een probleem dat ook al bestond
in het originele toneelstuk, geen idee. Uiteindelijk doet het er
weinig toe: als Mike Nichols van theaterproducties als ‘Closer’ en
‘Angels in America’ wél memorabele films kan maken, dan moet John
Madden dat ook maar kunnen. Maar alles aan ‘Proof’ klinkt vals.
Zelfs het gebruik van een flash-back structuur komt houterig en
geforceerd over: middenin een sleutelscène krijgen we een
flash-back die een kwartier duurt, enkel omdat we zonder de
informatie in die scènes niet kunnen volgen wat er in het heden
gebeurt. Het effect is vergelijkbaar met iemand die een mop vertelt
en dan vlak voor de punchline beseft dat hij vergeten is om een
deel van het verhaal te vertellen, zodat hij terug moet keren naar
het begin. Timing is alles, zeker als je met een verhaal werkt dat
zich op verschillende tijdniveau’s afspeelt.

‘Proof’ is hooguit een veredeld weekendfilmpje dat geheel per
ongeluk in de cinema is terechtgekomen. Emotioneel onoprecht en
dramatisch oninteressant. Te mijden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − elf =