The Brothers Grimm




Acht jaar na ‘Fear and Loathing in Las
Vegas’
is Terry Gilliam er nog eens in geslaagd om een film af
te maken. De perikelen rond zijn gedoemde ‘Don Quichote’-project,
vastgelegd in ‘Lost in La Mancha’,
zijn ondertussen algemeen bekend, en hadden aanvankelijk voor heel
wat good will gezorgd – mensen hadden medelijden met
Gilliam, een dromer in een cynische wereld, die constant belaagd
werd door de boze realiteit terwijl hij enkel zijn fantasieën op
pellicule wilde zetten. Dit waren dan wel dezelfde mensen die
Gilliams films consequent hadden afgebroken als te bizar, te
chaotisch, te druk en in het algemeen te té, maar dat vergaten ze
dan maar even, omdat het nu eenmaal bijzonder goed staat om een
worstelend kunstenaar te steunen. Nu komt de regisseur terug met
‘The Brothers Grimm’, en zijn krediet is meteen alweer opgebruikt.
Opnieuw zijn daar de oude verwijten: te bizar, te chaotisch, te
druk, te té. De recensies die deze prent in de VS heeft gekregen,
hadden net zo goed die van ‘Brazil’,
‘Baron Munchhausen’ of ‘Fear and
Loathing’
kunnen zijn. Het enige dat die kritische mishandeling
écht betekende, was dat ‘The Brothers Grimm’, wat het ook was, in
ieder geval een echte Terry Gilliamfilm zou zijn. Als fan van het
werk van deze briljante fantast kon ik dus alleen maar uitkijken
naar wat het zou worden. Het resultaat is geen meesterwerk, geen
ongelooflijke levensveranderende ervaring, maar het is wél een
geestige, visueel verukkelijke fantasie, escapisme op z’n
best.

Matt Damon en Heath Ledger spelen Will en Jacob Grimm, twee
bedriegers die het platteland van Duitsland afreizen, op zoek naar
goedgelovige boeren die menen met spoken of demonen te zitten. De
gebroeders zetten een spectaculaire horrorshow op voor de
inboorlingen en pretenderen hen op die manier van hun klop- en
andere geesten af te helpen, waarna ze langs de kassa passeren. Op
een dag worden ze echter door de Franse generaal Delatombe
(Jonathan Pryce) gedwongen om af te zakken naar het dorp Marbaden,
waar elf kinderen zijn verdwenen in het bos (onder hen Roodkapje en
Hans en Grietje). De dorpelingen vermoeden magie, Delatombe houdt
het op ordinaire criminelen die slim genoeg zijn om in te spelen op
de bijgelovigheid van een stel boeren. In het gezelschap van de
gesjeesde Italiaanse militair Cavaldi (Peter Stormare) zoeken Will
en Jacob het stadje op. De mysterieuze gebeurtenissen daar blijken
samen te hangen met een plaatselijke legende rond een koningin die
al 500 jaar in een toren ligt, wachtend op het bloed van jonge
meisjes om haar weer jong te maken.

Eén van de vaste kritieken die werden geuit tegen ‘The Brothers
Grimm’, is dat de film chaotisch zou zijn, moeilijk om te volgen.
Nu is het natuurlijk een vastgesteld feit dat ik hyperintelligent
ben, maar ik had er persoonlijk op geen enkel moment moeite mee om
de plot te volgen. Uiteindelijk is die immers vrij klassiek
gestructureerd: Will en Jacob worden geïntroduceerd als bedriegers.
Ze worden naar Marbaden gestuurd, waar kinderen zijn verdwenen.
Dan, in de tweede akte, krijgen we het verhaal van de koningin in
de toren. Wat is daar zo moeilijk aan? Een deel van het probleem
ligt allicht bij het feit dat Amerikaanse films tijdens de voorbije
tien jaar tot in het extreme conceptueel zijn gaan werken. Zowat
elke commerciële film kan worden samengevat in één of twee
zinnetjes. Tijdens het eerste half uur worden alle plotelementen
aangereikt, en vervolgens kijken we enkel nog naar de logische
uitlopers van die elementen. De reden daarvoor is simpel: als je
van je kijkers gaat verlangen dat ze na de eerste dertig minuten
nog steeds opletten en aandacht besteden aan dingen als de plot,
dan neem je het risico dat een deel van je publiek gaat afhaken –
dat deel dat het enkel nog gewend is om naar tv te kijken en
verhalen in reepjes van een half uur geserveerd te krijgen. Gilliam
doet dat niet, hij durft het aan om – stel je voor – pas na een uur
uitsluitsel te geven over de bedoelingen van de booswichten. Hij
blijft nieuwe elementen aanreiken, nieuwe ideeën op het scherm
gooien, tot vér voorbij het punt waarop de meeste filmmakers
zeggen: “Oké jongens, het is genoeg geweest, laten we er nu maar
gewoon nog wat actiescènes tegenaan gooien.” Neem nu zo’n ‘War of the Worlds’, extatisch ontvangen in
de VS: Spielberg zette zijn hele film op in de eerste tien minuten,
de rest was heel wat geren en geschreeuw als gevolg van wat in die
eerste tien minuten gebeurde.

‘The Brothers Grimm’ lijkt mij niet zozeer chaotisch, als wel
volgeladen – zoals elke film van Gilliam. Elke minuut zit volgepakt
met informatie over de plot of de personages, en als dàt er niet
inzit, dan krijgen we wel bizarre visuele vondsten om te verwerken,
waaronder boomwortels die als grijpgrage handen naar de personages
graaien en spiegels die breken, maar hun beeld in de scherven
blijven vatten. Films van Gilliam zijn vaak uitputtend, en dat kan
deze ook zijn – er gebeurt altijd vanalles, je kunt niet achteruit
zakken en je verstand even uitschakelen.

Uiteindelijk heeft Gilliam hier, niet voor het eerst en allicht ook
niet voor het laatst, een film gemaakt over de kracht van de
fantasie over de logica. Will is een pragmatist, die een afkeer
heeft van de dromerige romantische ziel van zijn broer Jacob. Maar
aan het einde, wanneer blijkt dat magie écht bestaat, is het enkel
Jacob die gewapend is tegen de kwade kanten ervan. De dromer redt
de dag, de man die gelooft in magie is beter gewapend tegen de
wereld dan de realist. Heath Ledger en Matt Damon zijn overigens
prima op elkaar ingespeeld, en weten een zeer sympatieke
buddy-vibe aan de gang te krijgen.

Voeg daar nog aan toe dat het geheel prachtig gefotografeerd is –
de herfstige bladeren in het betoverde bos, de met klimop begroeide
kasteeltoren, de mistige treurigheid van het dorpje. Allemaal
onvergetelijke locaties, die met liefde en flair in beeld worden
gezet. Het moet gezegd worden, de CGI is zeker niet altijd even
overtuigend (bepaalde transformaties van wolf naar mens zijn
bijvoorbeeld enigszins twijfelachtig), maar het camerawerk is
magnifiek.

‘The Brothers Grimm’ is een film die 118 minuten duurt, en het
aandurft om ook effectief 118 minuten lang te verlangen dat je
niets anders doet dan naar die film te kijken. Ja, soms is hij over
de top (die vertolkingen van Peter Stormare en Jonathan Pryce!),
maar dat was dan ook de bedoeling. En nee, natuurlijk is dit geen
film waar u over vijf jaar nog van zult wakker liggen, maar Gilliam
heeft hier een mooie, vindingrijke sprookjesfilm gemaakt, waar meer
creativiteit in zit dan in honderd van die middelmatige
Hollywood-spektakels die méér waardering krijgen. Een Gilliam grand
cru is dit niet, maar in vergelijking met het bucht van de Aldi dat
we vaak krijgen, is dit wel degelijk een verdomd goeie fles wijn.
Op Gilliam, en dat hij ze nog lang mag maken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + vijftien =