Paradise Now

Eén van de dingen waar films erg goed in zijn, beter zelfs dan
literatuur, is in het humaniseren van bepaalde onderwerpen. Lees in
een boek over een oorlog waarin miljoenen mensen gestorven zijn, en
je zult dat vast wel erg vinden – maar zie er een film over en
plotseling wordt de realiteit van die situatie veel dichterbij
gebracht. Boeken helpen ons om een concept intellectueel te
begrijpen, films om ze emotioneel te begrijpen. ‘Paradise Now’,
gemaakt door de Nederlandse Palestijn Hany Abu-Assad, doet precies
dat: de talloze verhalen over terroristen die zelfmoordacties
uitvoeren in Israel en Palestina, krijgen hier een menselijk
gelaat. De eeuwige vraag “wat gaat er door het hoofd van iemand die
zo’n zelfmoordaanslag pleegt?”, heeft allicht evenveel antwoorden
als er dergelijke terroristen zijn, maar hier krijgen we in ieder
geval een fascinerend voorbeeld van twee zulke gevallen. Als
bijdrage aan het debat rond het onderwerp, is dat wellicht
zinvoller dan wat honderd professoren in de politieke wetenschappen
kunnen komen vertellen, al was het maar omdat het aan de theorie,
aan de veredelde borrelpraat, voorbijgaat.

Said (Kais Nashef) en Khaled (Ali Suliman) zijn twee jeugdvrienden
die aan de kost komen als garagist en in hun vrije tijd al wel eens
graag aan een waterpijp lurken. Niets bijzonders dus, ware het niet
dat ze ook contacten onderhouden met een radicale
moslimorganisatie, die hen op een avond oproept om een
zelfmoordaanslag te plegen in Tel Aviv. De twee vrienden zijn
overtuigd van hun zaak, laten zich behangen met explosieven en
trekken richting Israel. Maar eens ze de grens willen oversteken,
worden ze verrast door een Israelische patrouille – Said en Khaled
gaan op de loop en het nauwgezet uitgekiende plan van de
Palestijnen valt in duigen.

Abu-Assad maakt een goeie keuze door zijn personages aan het begin
van de film niet meteen in een context van moslimfundamentalisme te
plaatsen – we krijgen hen eerst te zien als doodgewone jongens, die
werken, flirten met een jonge vrouw die haar auto komt laten
repareren, en vervolgens terug naar huis gaan naar hun moeders. Dit
zijn geen kwijlende gekken met een woeste blik in hun ogen. Dan
wordt Khaled benaderd door Jamal (Amer Hlelel), een contactpersoon
van de organisatie, en worden we eraan herinnerd wat precies het
onderwerp van de film is – voor de rest van de prent zien we Said
en Khaled niet als terroristen, moordenaars of monsters, maar als
au fond goeie mensen die door omstandigheden tot de uiterste
extremen gedreven worden.

Dat eerste half uur van de film is dus zeker en vast belangrijk,
maar ook enigszins langdradig – wie hiernaar gaat kijken, zal wel
weten waar het over gaat en Abu-Assad heeft net iets te veel tijd
nodig om de voorbeschouwingen af te werken en aan het serieuze
materiaal te beginnen. Eens hij dat doet, zijn we echter vertrokken
voor een behoorlijk suspensevol laatste uur. We krijgen de rituelen
te zien die aan de missie vooraf gaan: een uitgebreide was- en
scheerbeurt, het inspreken van een videoboodschap voor hun
nabestaanden en de wereld, een rijkelijk laatste avondmaal. De
regisseur weet zelfs een sprankeltje humor in deze scènes te
verwerken: terwijl Said z’n video maakt, valt de camera stil.
Daarna, wanneer het filmen weer is begonnen, herinnert hij zich
plots iets en onderbreekt hij z’n monoloog over de wraak van Allah
om te zeggen: “Oh ja, moeder, ik heb die waterfilters goedkoper
zien staan in de winkel.” Hey, waarom niet, dat is menselijk. Ik
heb het altijd al fascinerend gevonden wanneer films tonen hoe iets
praktisch in z’n werk gaat. Je hoort altijd over die
zelfmoordaanslagen, maar hoe gaat dat nu eigenlijk, hoe gaan die
mensen daar zelf mee om, hoe komen ze grens over, hoe kiezen ze hun
doelwit, wat zijn precies de mechanismen van zo’n actie? Abya-Assad
toont ons dat, zonder daarom de menselijkheid van z’n personages te
vergeten.

Het is cru om het zo te zeggen, maar in feite zitten we vanaf dat
moment naar een film te kijken rond de vraag: “ontploffen ze of
ontploffen ze niet”? Los van de politieke inhoud, is dat al
voldoende om van ‘Paradise Now’ een spannende thriller te maken,
maar natuurlijk is er in dit geval nog heel wat meer gaande.

Abu-Assad heeft hier een pro-Palestijnse film gemaakt (dat zal hij
zelf allicht ook niet kunnen of willen ontkennen), die
beargumenteert dat heel wat Palestijnen naar extreme maatregelen
grijpen vanuit een mengeling van frustratie om de bezetting door de
Israelieten en het naïeve geloof in de leugens die hen door
extremisten worden aangepraat. Jamal, de contactpersoon voor de
terroristische organisatie (die nooit met naam genoemd wordt), doet
zich voor als een toonbeeld van beminnelijkheid, maar hij
manipuleert zijn zelfmoordenaars schaamteloos. Wanneer Said en
Khaled hem vragen wat er gebeurt nadat ze zichzelf hebben
opgeblazen, zegt hij zonder blikken of blozen: “Wel, dan komen twee
engelen jullie halen. Geen enkel probleem.” ‘Paradise Now’ is
pro-Palestijns, maar rabiaat anti-extremistisch in z’n
afschildering van de terroristen, die hun kanonnenvoer zoeken onder
de armen, de bitteren, de ongeduldigen en hen een plastic sleutel
naar het paradijs beloven indien ze zichzelf zinloos opofferen. Het
geloof van Khaled en vooral Said in hun eigen heldenstatus en in
hun triomfantelijke aankomst in het paradijs na hun dood, is
absoluut en is het gevolg van een leven in een permanente
oorlogszone, waar termen als winst of verlies betekenisloos zijn
geworden – het enige waar je je nog aan kunt vasthouden wanneer je
vastzit in een eindeloze oorlog, is aan het geloof dat God aan je
kant staat. Wat heb je anders nog, als je die oorlog onmogelijk nog
kunt winnen? Jamal en de zijnen spelen daarop in, buiten die
radeloosheid uit – zelf zullen ze geen bommen aan hun lijf
hangen.

De regisseur is soms iets te nadrukkelijk in het doordrijven van
zijn politieke en ideologische agenda. We krijgen één personage,
Suha, de vrouw waarmee Said en Khaled wel eens flirten, die vrijwel
uitsluitend wordt geïntroduceerd om de standpunten van de filmmaker
te verkondigen. Tijdens een scène in een auto naar het einde van de
film toe, steekt ze een monoloog af over hoe het absoluut
noodzakelijk is om niet-gewelddadige manieren van verzet te vinden,
en uiteraard heeft ze gelijk. Maar op dat moment horen we de
regisseur spreken, niet dat personage – een personage dat voor het
overige maar bitter weinig reële impact heeft op de plot.

Hoe het ook zij, Abu-Assad heeft een suspensevolle thriller gemaakt
én een boeiende beschouwing over een belangrijk onderwerp. De mens
achter de ontploffing, als het ware. Waarvoor mijn respect.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 5 =