The Story of the Weeping Camel




Je vraagt je wel eens af hoe sommige films ooit gefinancierd raken.
Ongeveer halverwege ‘The Story of the Weeping Camel,’ beeldde ik me
een ietwat zenuwachtige producent in die voor een commissie
geldschieters mocht gaat uitleggen wat voor film hij graag wilde
gaan maken met hun centen: ‘Nou, het gaat over een… een kameel.
En hij huilt. Er zit geen echte plot in, geen seks, geen geweld,
geen acteurs behalve van straat (of beter: uit de woestijn)
geplukte amateurs, er is nauwelijks dialoog en het trainen en
indien nodig trukeren van de kamelen die de echte hoofdrol spelen,
zal ongetwijfeld nog wel een stevige noot kosten.’ Waarna… Wat?
Waarna die bonzen zich eens verzetten in hun stoeltje en zowaar
besloten om er hun fiat aan te geven, blijkbaar. De wonderen zijn
de wereld nog niet uit. En laten we daar maar blij om zijn, want
hoewel ‘The Story of the Weeping Camel’ een zeer trage film is
geworden die zich geen donder aantrekt van de vereisten die een
modern publiek haast automatisch aan een film zullen stellen, zijn
er hier toch een aantal dingen om te waarderen.

We bevinden ons in een nomadenstam ergens in de Gobiwoestijn, in
Zuid Mongolië. Een hechte familie van kamelen- en schapenfokkers
woont in volslagen afzondering van wat we wel eens de “beschaafde
wereld” durven noemen. Tijdens de eerste 20 à 25 minuten van de
film stellen de regisseurs, Byamabasuren Davaa en Luigi Falorni,
zich tevreden met een eenvoudig exposé van een leven dat in het
teken staat van de natuur: ouders en hun kinderen, de mens en zijn
dieren. We krijgen lange, betekenisvolle shots van de oude handen
van de grootmoeder die touw knoopt uit kamelenhaar. Van de
grootvader die ‘s ochtends het zand van de tenten veegt. Van de
manier waarop voedsel wordt bereid, de kinderen hun bad krijgen, de
familie ‘s avonds rond een vuur kruipt en gemoedelijk een sigaretje
rookt, enzovoort… Zet er een voice-over op van Michael Palin en
je hebt zò een BBC-documentaire over de leefgewoonten van een slag
van mensen dat haast onvermijdelijk met uitsterven bedreigd
is.

Pas daarna, en laten we ons vooral niet haasten, is het tijd voor
wat je met veel goeie wil “het verhaal” zou kunnen noemen, hoewel
die term vrijwel betekenisloos is in deze film. Na een lange,
moeizame bevalling verstoot één van de kamelen haar jong – een wit
kalf, dat wordt weggedrukt door haar moeder wanneer het wil komen
zogen en eenzaam jankend wordt achtergelaten. De nomaden proberen
zowat alles om moeder en kind te verenigen, maar uiteindelijk
moeten ze toch hun toevlucht zoeken tot een oud ritueel: een
violist moet komen spelen voor de kameel, die op de één of andere
manier het ritme en de emotie van de muziek zich eigen zal maken,
zal beginnen huilen en vervolgens haar kind zal accepteren.

Dat concept van ouders en kinderen is erg krachtig in ‘The Story of
the Weeping Camel’: de familie die we hier aan het werk zien, kàn
hoegenaamd niet zonder elkaar leven, ze zijn van elkaar
afhankelijk, ze zitten constant op elkaars lip in de enkele tenten
die ze bewonen in hun barre thuisland. Grootouders, ouders en
kinderen leiden één leven, met een intensiteit van samenzijn die
wij ons hier nauwelijks kunnen voorstellen. Wanneer ze dan zien hoe
een dier haar jong verstoot, betekent dat een verstoring van de
natuurlijk orde – zo hoort het niet, en het is van het
allergrootste belang dat die verstoring zo snel mogelijk ongedaan
wordt gemaakt. De nomaden leiden een leven dat wordt gedomineerd
door de natuur, met een buitenwereld die zich steeds sterker aan
hen opdringt: wanneer twee van de zonen van de familie naar de
“grote stad” moeten reizen om een violist te vinden, maken ze voor
het eerst kennis met de televisie, en ze zijn gefascineerd. Eens ze
weer thuis zijn, vragen ze aan hun ouders of ze er ook één mogen
hebben. ‘Waar is dat nu goed voor?,’ krijgen ze als antwoord, maar
hoe lang zal het duren voor er zo’n ding staat?

Dat alles geeft nu niet bepaald aanleiding tot spectaculaire cinema
à la Jerry Bruckheimer – ‘The Story of the Weeping Camel’ is in de
eerste plaats een documentaire, waar dan toch nog min of meer de
structuur van een gewone film in werd aangebracht, in die zin dat
er op z’n minst een begin, midden en einde in te onderscheiden
valt. In de praktijk betekent dat lange shots van het natuurschoon,
lange scènes binnen de familie die absoluut niets bijdragen aan
eender welk verhaal dat er eventueel zou kunnen ontstaan, lange
stiltes. De film dompelt je onder in de wereld van de nomaden, en
dat is er nu eenmaal één waarin het levenstempo erg laag ligt. Als
kijker wordt er een inspanning van je verwacht om in zekere zin te
leren ademen in het ritme van de film, om te accepteren dat er
zodadelijk geen wereldschokkende plotwending zal plaatsvinden. Je
geniet van de – soms prachtige – beelden, je leert te luisteren
naar de achtergrondgeluiden (ziedende wind, het gejank van een
achtergelaten kamelenjong) en op die manier kun je de prent leren
accepteren op z’n eigen voorwaarden. Al wie daar geen zin in heeft
kan beter de naburige zaal opzoeken.

Het is gek, met die langzame films. Verleden week noemde ik ‘Nobody
Knows’ nog saai, nu was ik wél in staat om het slakkentempo van
‘The Story of the Weeping Camel’ te aanvaarden. Wat was het
wezenlijke verschil? Deze kameel duurt maar 90 minuten in plaats
van 140, dat scheelt alvast een slok op de borrel. En ook
pretendeert ‘Weeping Camel’ nergens om een normale
verhaalsstructuur te zullen volgen – het is vanaf het begin een
documentaire blik op het leven van die mensen en hun kamelen, meer
niet. ‘Nobody Knows’ beloofde ons daarentegen inzichten in het
leven van de personages en een soort van resolutie op het einde,
die maar niet wilden komen.

Dat gezegd zijnde, is ‘The Story of the Weeping Camel’ ook niet het
soort film waar ik elke week naar zou kunnen kijken. Dit is een
curiosum – interessant voor wat het is, boeiend zolang het duurt.
Zeg nu zelf, elke familie heeft tenslotte toch wel een wit kalf?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + acht =