Pukkelpop 2004 :: Slechte Belgen, goeie Belgen

Drie dagen lang een aantal goddeau-redacteurs in een paar tenten op de camping van Pukkelpop steken met als opdracht een deftig verslag mee terug te brengen: het had een ideetje voor een televisieprogramma van Endemol kunnen zijn, voor uw dienaars was het op 19, 20 en 21 augustus bittere realiteit. Over één ding waren ze het alvast eens: de soundtrack mocht er — op een paar zeldzame Belgische ontsporingen na — zijn.

Dag 1: Niet gay genoeg

“Ga eerst aan de overkant je bandje halen en kom dan terug naar de camping”: van praktisch denken hebben ze in Kiewit geen kaas gegeten, bedenken we terwijl we tussen duizenden aanschuiven die het terrein al op willen. Gelukkig is dat bij uw favoriet muziektijdschrift anders: een goed halfuur later stellen we tot onze verbazing vast dat onze medewerkers het ouderwetse hoofdredactionele driehoekstentje zonder fouten hebben recht gekregen. Zonder dralen draven we de wei op: Let there be rock!

Rock, surf en vooral veel lawaai: dat moet het monstrofonische en lichtelijk fantastische Fifty Foot Combo zijn. Een trotse opener van het hoofdpodium, en we zijn met graagte bereid hen de twee halfnaakte danseressen te vergeven die ons veel te hard deden denken aan Sergio@The Ladies vorig jaar op Martkrock.

Omdat het festival nu eenmaal nog wat op gang moet komen, pikken we Peaches mee in de Marquee. Sommige mensen worden hier geil van, sommigen vinden dit om te lachen. Ons stond de hoofdredacteur al snel aan onze mouwf te trekken of we niet alvast een goeie positie voor het hoofdpodium konden innemen, want daar zouden The Distillers spelen. Neen, zelfs met de eerste pretsigaret van vele, waren Peaches en haar rudimentaire beats niet te pruimen.

Ondanks het vroege uur zijn Brody Dalle en haar Distillers-kompanen al best in vorm: we krijgen vooral materiaal van het vorig jaar verschenen Coral Fang en daar hoort u ons niet over klagen. Wereldnummer “Dismantle Me” krijgt de verlangde verschroeiende versie. Hier met dat interview!

Tot onze grote spijt moesten we Within Temptation missen, er waren interviews af te nemen. Dat zo’n vuurwerkontploffing best schrikken is, zo ergens achter het podium, kunnen we vanaf nu echter wel getuigen.

Er heerst binnen goddeau al even een Bez-revival en alweer blijken we de vinger aan de pols van de tijd te hebben: het Britse combo Delays doet in de Clubtent de Madchestersound herleven en mengt meer en meer beats onder de perfecte pop van hun debuut Faded Seaside Glamour. Een tweede album is in de maak, verwacht u binnenkort aan de puike eerste single “Lost In A Melody”.

Snelsnel naar de Chateau waar DAAU uitgebreid is tot een septet met twee leden van het Franse Ez3kiel. De gekende zigeuner-volkstrance-funk van de broertjes Lenski klinkt iets gevulder, en wordt er alleen maar dansbaarder van. Excuseert u ons dus: Papa Roach hebben wij bijgevolg — nu ja — gemist.

Phoenix speelde voor de tweede maal op Pukkelpop en kon deze keer vertrouwen op de bekende hits. Helaas gingen minder bekende nummers van hun nieuwe Alphabetical wel de mist in: de groep speelde dan wel vroeg op de avond, hun energie leken ze al verloren te hebben vooraleer ze het podium bestegen. De tent in vuur en vlam zetten was er deze keer niet bij.

Scissor Sisters worden wel eens de Village People van de 21ste eeuw genoemd. Het moet een misverstand met een andere groep betreffen: deze zusters zijn lang niet camp en gay genoeg om een echte grap te zijn. Wij blijven dus vrezen dat ze het ernstig menen. Of geen gevoel voor humor hebben.

Wel echte camp: Scott Weiland van Velvet Revolver die — net als twee jaar geleden met Stone Temple Pilots — in leren broek en met leren pet het podium onveilig maakt als een échte frontman. Velvet Revolver is niet alleen een behoorlijk CV aan verslavingsgeschiedenissen samen, maar ook een stevige rockband. Wij liggen niet omver van de nieuwe nummers die de groep samen schreef, de heren gelukkig ook niet: herhaaldelijk wordt met “Crackerman” en “It’s So Easy” uit het Stone Temple Pilots of Guns ’n Roses-verleden van de groepsleden geput. Meer moet dat van ons niet zijn op dit uur van de dag. Noem ons nostalgische oude zakken, zo u wenst.

“Revolution, we’re the solution!” Bij Ash weten ze hoe opkomen hoort: met een pompeuze intro en een brandende flying V. Helaas lijkt zanger Tim Wheeler daarna niet geweldig bij stem en werkt ook de klankbalans tegen. Aan de werklust van de groep zal het echter niet hebben gelegen.

Duitsers kunnen best niet te dicht bij zangeres Feist komen. Toen een groepje Oosterburen in de verkeerde maat begon mee te klappen, beet ze hen ijskoud enkele sarcastische opmerkingen toe. Een knappe vrouw met pit en humor, en daarbovenop ook nog eens mooie muziek. Dat Sheryl Crow en consorten maar uitkijken voor deze opkomende ster.

The Offspring dan: de groep mag sindsdien dan enkel nog stinker na stinker hebben uitgebracht, wij blijven Smash een geweldige poppunk-plaat vinden. En dus brullen we de eerste nummers welgemutst mee. Als na de eerste tien nummers blijkt dat er nog dertig gelijkaardige volgen, houden we het echter voor bekeken, een hartsgrondige geeuw onderdrukkend.

In combinatie met een opmerkelijke selectie beelden én de danskunsten van CJ Bollands vriendin Zohra maakten CJ Bolland en Tom Barman van de dj-set van Magnus een geweldige afsluiter van de Boiler Room. Barman’s enthousiasme werkte aanstekelijk en de temperatuur steeg zo aanzienlijk dat Barman zelf naar het einde toe even onwel werd. Maar daar lieten wij onze feestvreugde niet door bederven: “Summer’s Here”.

Dan maar even weg van de drukte om de DJ set van Neneh Cherry en de Londense turntablist Kid Suda uit te checken. Té gemakkelijke en té bekende hiphopbeats verleidden ons vanuit de verte maar blijken al even vlug vervelend bij de confrontatie. Hiervoor komen we niet naar Pukkelpop dus we zetten onze tocht verder naar de Dandy Warhols. Verbazend hoeveel hits de Dandy’s al op hun conto hebben, bedenken we, en voor we het goed en wel beseffen zijn de nieuwe singles “You Were The Last High” en “We Used To Be Friends” zonder al te veel hobbelingen de revue gepasseerd. We kijken nu al uit naar hun geplande samenwerking met Massive Attack.

Faithless brengt zijn bekende trucje, maar speelt nu ook nummers van hun laatste plaat. Dat had voor ons niet gehoeven: nieuwe rapper LSK krijgt het publiek niet mee, nummers als “Bluegrass” en zelfs “I Want More” springen er niet echt uit. Dat doet “Mass Destruction” gelukkig wel, en ook “Insomnia”, “We Come One” en “God Is A DJ” doen waarvoor ze zijn ontworpen: de massa aan het springen krijgen. Er is geen planken vloer die kan gaan golven en dus mag daar nog een schepje bovenop met afsluiter “Salva Mea”. Dag één was er één om goed te starten, morgen meer van dat!

Dag 2: De Bez in elk van ons

Vroeg op want in de Club zijn een paar hele goeie bandjes er behoorlijk vroeg bij. Dag twee wordt een uitputtingsslag van jewelste, maar stelt ons niet teleur: maar liefst twee exclusieve gastoptredens zijn ons deel en we leren bij dat oude liefdes nooit zullen roesten. Niets gaat boven Greg Dulli en zijn scheurende “baaaaaaaaabyy”.

“Er zit een Bez in elk van ons”, beweert (jd) al even en ook De Portables zijn die mening toegedaan: tijdens het nieuwe nummer “Vegetarian Barbecue” introduceren ze hun eigen “Shaker-Shaker Man” en ze bewijzen en passant ook de beste coverband van deze contreien te zijn. Met het grootste sérieux krijgen we “Maniac” van Michael Sembello voorgeschoteld en weet u wat — maar vertel het niet verder — uw (mvs) stond te shaken als een welgevulde cocktail. Waarlijk: dat van die Bez is niet gelogen.

Aangezien het volgende concert dat we wilden zien ook in de Club was, draaiden wij ons gewoon om en volgden Silverene op het hoofdpodium. Ons leven zal nooit meer hetzelfde zijn nu wij zanger Freddie DiBono de platenfirma, TMF en Studio Brussel hoorden danken. Slechts één keer werden we ooit nóg misselijker: toen Chad Kroeger van Nickelback twee jaar geleden blafte: “and at the count of three, i want you to shout ’thank you MTV’”. En dan moest die slechte versie van “Go Your Own Way” nog komen.

Op “The Young Machines” doet Marc Bianci van Her Space Holiday het verslag van een behoorlijk deprimerend jaar. Opdat ons echt geen detail zou ontgaan komt hij dat ook live nog eens uitleggen met een bassist en drummer onder de arm. Hoewel er nog veel op tape staat, klinken “Something To Do With My Hands” en “Girl Problem” een stuk steviger. Minder dromerig dan de cd, minstens even goed. Wij blijven erbij: u zou deze man wat inniger aan de borst mogen drukken.

In eigen gouw ten dans spelen en niet veel meer dan een halfuur toegewezen krijgen: het kan verkeren. Mauro Pawlowski hoeft zich met zijn indrukwekkend palmares niet langer te bewijzen, maar deed het toch even voor de non-believers. Dit aan de hand van een retestrakke set waar kwistig met knoerten van songs en knipoogjes gestrooid werd. U stampte mee op Mauro & The Grooms én Evil Superstars én Mauro én Somnabula nummers zonder dat u tijd had om te beseffen welk nummer bij welke naam hoorde. Knap!

Terwijl we langs het hoofdpodium passeren, hebben wij toch één woord veil voor Bloodhound Gang: “Vetzakkeuuuh!”.

Joanna Newsom leek rechtstreeks overgebracht vanuit de Efteling. Knalrode lippen, mystiek ornament op de hersenpan en vooral: een gigantische harp, die ze meermaals als piano deed klinken. En dan die stem. “Björk meets An Pierlé”, hoorden wij naast ons, maar wij dachten eerder aan een goedgeluimde Cat Power die van de helium heeft gesnoept. Haar debuut The Milk-Eyed Mender ligt blijkbaar al even in de rekken, en kan niet snel genoeg naar die van ons verhuizen.

Koen Buyse van Zornik mocht vandaag een stuk later opstaan dan bij zijn passage op Wercher. En toch bleef hij een gezeur van jewelste voortbrengen. Ach, het bleek gewoon hun standaard set.

De mannen van El Gran Silencio hadden zo uit een Mexicaanse gangsterfilm kunnen komen, en zodra ze hun accordeons of trompetten ter hand namen, barstte al vroeg in de middag een heerlijk feest los. Chokri stond in de coulissen mee te kijken en zag dat het goed was.

Ondertussen probeerde Devendra Banhart een intimistische set neer te zetten in de Château. Op voorhand al een verloren strijd: Banharts subtiel gitaargetokkel was niet opgewassen tegen de potige stonerrock van Auf der Maur. “I don’t play rock ’n roll!”, krijste Devendra en even leek de man Chokri te verfoeien hem hier neergepoot te hebben. Zaterdag 16 oktober krijgt hij herkansing in Zaal België, Hasselt. Dan hoort u het meisje dat rechts op het podium zat (de helft van CocoRosie en na haar werkuren vriendinnetje van Banhart) ook eens aan het werk.

Elbow bleek live een even grote rariteit als op plaat. We zagen een goed gevulde Marquee instemmend meeknikken op inventieve stilte. We hadden ze liever bezig gezien in de Club, waar zanger Guy Garvey later die dag nog even strontzat het podium opkroop om samen met I Am Kloot het prachtige “To You” ten berde te brengen.

Op Werchter vorig jaar waren The Streets groots: een gigantische fuif in de Marquee voor wie geen zin had in Metallica. Op Pukkelpop bleek Mike Skinner wat ziekjes: nauwelijks zingen, sloten thee drinken en halverwege de set ging-ie even op de grond liggen. Edoch, het songmateriaal overleefde dat zelfs. Maar als het even kan willen we toch revanche in een zaal.

Het nieuwste hippe snoepje (wij verwachten eind januari enthousiast te mogen doen over hun debuut) komt uit Engeland en heet Bloc Party. Ze dropten al een felgesmaakte naamloze EP en mochten met “Banquet”een klein radiohitje op hun naam schrijven. Hun passage op Pukkelpop was één van de zeldzame uitschieters. Dit was discopunk van een goed jaar, die puntig en strak werd gebracht.

The Darkness, beste mensen, is een grap. Misschien heeft u ze liever wat subtieler, maar wij hebben ons vijftig minuten kostelijk geamuseerd met de doldwaze bindteksten (“thou canst louder, me thinkest!”), ondermaatse AC/DC-solo’s en de onnozele pakjes van Justin Hawkins. Men moet ons er niet teveel mee lastig vallen, maar die vrijdagavond op de Kiewitse wei was het best leuk.

Lichtjes grijnzend, togen we dan naar de Marquee om in een totaal andere wereld terecht te komen: die van Mark Lanegan en zijn band. De heren en dames waren stevig in het zwart gestoken en speelden (niet gehinderd door enige substantiële belichting) zware bluesrock waarvan Hawkins zijn catsuit waarschijnlijk zou onderpissen. Eclectisch als we zijn bij goddeau, hielden we het droog en vormden we de grijns om tot een passend doodgraversgezicht. Van dit onwerelds concert herinneren we ons vooral dat Nick Oliveiri en Greg Dulli ongemerkt mee het podium opslopen om ons de tent uit te blazen met een apocalyptisch “Metamphetamine Blues”.

Kazu Makino van Blonde Redhead ziet er adembenemend uit in haar witte jurkje, eenmaal de eerste noten zijn aangeslagen weten we het wel zeker: dit is één van dé concerten van Pukkelpop. Deze bastaardkinderen van Sonic Youth speelden de Clubtent — ons favoriete Pukkelpodium, zo bekennen wij met graagte — plat met het materiaal uit hun puike Misery Is A Butterfly.

Het klonk zo veelbelovend: na een sabbatical year (een jaar dat overigens zestig maanden bestreek) hadden ze er weer allemaal goesting in — de mannen van dEUS. Een verwachtingsvolle massa drumde bijgevolg samen voor het hoofdpodium en slokte uw dierbare redactie net niet op. Onze goesting was in ieder geval snel voorbij: er was geen tikkeltje speelplezier merkbaar op het podium.

Nochtans namen Barman en de zijnen een vliegende start met “Theme from Turnpike”, maar het kaartenhuisje bleef niet staande. Een apathische Craig Ward die opzettelijk kattenvals leek te zingen, een met de rug naar het publiek gekeerde Danny Mommens en een snauwende Tom Barman deden de terugkeer van onze halfgoden compleet de mist ingaan. We kunnen alleen maar hopen dat de volgende plaat, verwacht voor begin 2005, meer te bieden heeft dan het nieuw materiaal dat op Pukkelpop ten berde werd gebracht. Niet dat we ons nog iets van die nummers herinneren — met uitzondering van de kneuterige titel “Only Love Is The Real Sugar”.

Bij I Am Kloot lijken ze niet alleen uiterlijk op de broertjes Gallagher, ze bezitten minstens evenveel talent. Wij keken dorstig toe terwijl er op het podium gezellig een pint gedronken werd en genoten van songs waarvan voornoemde broers enkel kunnen dromen. Ons hart hebben ze alvast gestolen.

The Chemical Brothers: een goed idee om onze vrijdagavond eens feestelijk af te sluiten. Tot onze spijt was het optreden op Werchter 2002 een stuk beter. Het bleef wachten tot nooit op een live versie van “The Test” en de laatste single “The Golden Path” werd maar héél even — in de vorm van een belachelijke sample — op het publiek losgelaten. The Chemical Brothers klonken voor de eerste keer gedateerd en dat volgende album wordt bang afwachten.

Net als Mogwai beginnen de Japanners van Mono in de Club héél erg stil om tien minuten later een enorme pokkeherrie te creëren. In tegenstelling tot voornoemde Schotten en geheel in kamikazestijl doet Mono er dan echter nóg een schepje bovenop. Indrukwekkend én gezegend met de knapste bassiste van het festival. En dat houdt ook Melissa Auf der Maur in.

Na lang wachten kwam onze grote held Greg Dulli nogmaals het podium van de Marquee opgewandeld, ditmaal met zijn eigen Twilight Singers. De Afghan Whigs zijn nog steeds gesplit, maar deze light-versie ervan is nog steeds beregoed. Als voorsmaakje op de nieuwe CD vol covers brieste hij zich een weg doorheen Björk’s “Hyperballad” en kwam Mark Lanegan nog even helpen voor Billie Holiday’s “Strange Fruit”: bepaald indrukwekkend.

Met een magistraal “Faded” sloot Dulli zijn set af: nog een laatste lurk aan de sigaret en een laatste slok whisky (beiden vernuftig aan zijn microfoonstandaard bevestigd) en dag twee van Pukkelpop was voorbij. Hoe fantastisch de Twilight Singers ook waren (voor alle duidelijkheid: ze waren heel erg fantastisch), we konden het niet laten om te dromen van een Afghan Whigs-reünie. Als dat geen reden was om onze tent op te zoeken.

Dag 3: Oppiekoppie Noord!

De hamvraag: wordt dag drie van Pukkelpop meer dan aftellen naar de White Stripes? Jááha, kunnen wij u meedelen: de dag werd stevig op gang getrokken met prachtconcerten in de Clubtent, het onthaal van Monza in de Wablief-tent bewees nog maar eens welk een fijn publiek u niet bent. En dan hadden we de prachtige podiuminkleding van de Stripes nog niet gezien.

Een blondine en een brunette in stewardessenpakjes. Niet K3 zonder de rosse, maar Client. Ze hadden zelf maar een vijftal man in de zaal verwacht, het werden er iets meer. Misschien omdat er nog niet veel concurrentie was op de andere podia. Beeld u een Vive La Fête in dat zich bedient van het Engels en sexy elektronica die ons moeiteloos om zijn vinger draait. Jammer dat de set maar een halfuurtje duurde. Wij hadden gerust een hele dag kunnen blijven kijken.

Voor Ghinzu bleek de Club te klein. Het openingsnummer hadden ze weliswaar beter korter gehouden, maar met “Do You Read Me?” werd de vuurpijl op de gastank gevuurd met alle gevolgen vandien. Hadden ze in de Marquee of op het hoofdpodium gestaan, dan was hun aanwezigheid op Rock Werchter 2005 nú al een feit. De Belgische Muse heeft een entertainmentgehalte om “U” tegen te zeggen.

“Het best bewaarde geheim van België”, zo kondigde stubrupresentator Peter Van De Veire de passage van Monsoon op Pukkelpop aan. Gevleugelde woorden die de band uit Brussel op een uitstekende manier luister bijzette in een goed opgebouwde set met intieme, rockende en jazzy songs. Geplukt uit de twee albums die de groep rond de gracieuze, in feeënkledij gehulde zangeres Delphine Gardin, reeds uitbracht. Mogen wij Monsoon vragen door te stoten naar de top van het Belgische rockwezen? Dank u!

In de club staat Thou ondertussen weer eens te bewijzen dat u nog steeds ongelofelijk veel ongelijk heeft deze groep niet meer te koesteren. Niet alleen is “Breaking Up The Heart Of A Girl” hartverscheurend mooi, de groep staat met verdomd veel plezier te spelen. In de buik van Does De Wolf nam een foetus nota: “hoe maak ik perfecte rockmuziek”.

Als de Levellers hadden geweten dat ze later Flogging Molly op hun geweten zouden hebben, zouden ze er dan ooit aan begonnen zijn? In vergelijking met deze losgeslagen bende zijn de vijf uit Brighton immers nog subtiel: dit draaide rond bier, vrouwen, en nog meer bier. Denk aan Dropkick Murphys maar dan… Ach: denk aan de Dropkick Muprhys en huiver.

My Bloody Valentine, Jane’s Addiction en Pink Floyd: dat zijn de namen die ons in het kader van Oceansize naar het hoofd werden geworpen. Wij moesten vooral aan de doorsnee emocore-groep denken, maar af en toe pikten we flarden gitaar op die aan Kevin Shield’s zes snaren ontloken hadden kunnen worden. Hoe dan ook: echt onder de indruk van dit gezelschap waren wij niet.

Franz Ferdinand had op het hoofpodium te kampen met wegwaaiend geluid en dat was erg jammer. Het publiek wilde, de groep had er zin in: alles zat goed om de heren een triomf van jewelste te bezorgen en toch wilde het niet lukken. Al blijven wij door minstens de helft van de songs niet overtuigd, de paar geweldige nummers compenseren dat ruimschoots. Wij hopen van der Franz nog véél puike singles te mogen verwachten.

Blanche moèt wel uit het Zuiden van de VS komen, zo leek het ons: beeld u een kruising in van een Sixteen Horsepower dat vrolijk en vol vertrouwen de dag des oordeels ziet naderen, een reizend circus en een groep Baptistische predikanten. Ergens ging in ons hoofd stuiterden ook de woorden “Moldy” en “Peaches” rond. Te situeren in de neo-folk- en countryhoek met de tong stevig in de wang geplant. Dènken wij.

Een hele tijd geleden moest Blur wegens keelpijn van Damon Albarn ter elfder ure verstek laten gaan op Pukkelpop. Nu we Graham Coxon“s solowerk kennen en de man aan het werk zagen, kunnen we niet anders dan betreuren dat ze hem toen niet hebben laten zingen. Hij schreef en zong een van de grootste Blur-klassiekers (“Coffee and TV”) en met Happiness In Magazines schonk hij ons een heerlijk stekelige popplaat. Daar hoort een lichtjes rommelig optreden bij, maar parels als “Spectacular”, “Freakin’ out” en “Bittersweet Bundle Of Misery” bewezen dat Coxon ook op zijn eentje geweldige britpop maakt

De langverwachte comeback van de broertjes Dewaele begon interessant met een eenzame Stephen die wat een knopjes allerhande morrelde, toen de rest van de band er bij kwam was het kalf verdronken. Wij hoorden in het nieuwe materiaal geen songs, en besloten: met een hip geluid alleen raak je nergens. Wree spijtig, zouden we dat in het Dewaeles vinden. Een dEUS én Soulwax die slecht presteren: op Werchter zou het een ramp betekenen, op Pukkelpop ga je dan gewoon op zoek naar kleine groepjes in één van de tenten die wél nog alles geven.

McLusky, bijvoorbeeld, deed wat van hen verwacht werd: rocken als de beesten en zelfs gevorderde volwassenen tot moshen motiveren. Grappig om hen op dit Limburgse festival te zien terwijl zelfs Engelse websites bij hen aan het Limburgse Vandal X refereren.

Veel volk op het podium bij Lambchop door toevoeging van een strijkerskwartet. Toch ging alle aandacht naar Kurt Wagner, wiens diepe stem niemand onberoerd liet. De man had er duidelijk zin in en balanceerde tussen intiem en feestelijk. Tranen van ontroering wisselden af met tranen van vreugde. Wat ons betreft had dit een headliner mogen zijn.

Goed weggestopt op het terrein stond de Dance Hall en daar beleefden we een van de absolute hoogtepunten van Pukkelpop 2004. LCD Soundsystem is gigantisch hip, met de producer van The Rapture en het lief van een der Dewaeles in de rangen. De muziek mocht er alleszins absoluut wezen: stomende danspunkfunk die ons en de andere aanwezigen danig aan het dansen kreeg. Hun debuutalbum zit al maanden in de pijplijn, maar dit najaar zou het eindelijk in onze en ook uw CD-speler moeten zitten. Een dagelijkse dosis “Losing My Edge” en “Yeah”: we kijken er sinds dit optreden reikhalzend naar uit.

50 Cent: net de prijs van een proper toiletbezoek ergens buiten het terrein. Zoveel meer bevredigend dan het optreden van de gelijknamige artiest.

Stijn Meuris op Pukkelpop, en dat in de Wablieft-tent. Hij moest het zelf nog even bevatten: “Wij zijn Monza, u bent Pukkelpop”. Dat wisten we wel, en daarvoor waren we gekomen. “Soulwax was super” verschilde hij nog van mening met ons, maar dat was het enige euvel in een perfecte show. Voelden de Noordkaap-covers een half jaar geleden in de AB nog onnatuurlijk aan, nu waren we blij “Panamarenko” en “Druk in Leuven” opnieuw te horen passeren. Voeg daar nog enkele Monza-hoogtepunten als “De stad kan zo koud zijn” en “Tegenstand is mooi” aan toe en u weet: als Meuris niet bestond, moesten we hem uitvinden.

Vooral het Waalse gedeelte van de festivalgangers leek geïnteresseerd in Archive. De paar Vlamingen die toch kwamen kijken, zullen daar nochtans geen spijt van hebben gehad. De gevoelige rock in een intieme sfeer van de Fransen bezorgde de fans meermaals kippenvel. Alleen jammer dat de rustige nummers verpest werden door het gebonk van Felix Da Housecat, iets verderop in de Boilerroom. Het blijft dan ook een raadsel waarom Archive niet gewoon in de Club kon spelen, waar ze eerst waren geprogrammeerd.

MC5 is één van de legendarische groepen die verantwoordelijk is voor de garage-hype die podia en CD-collecties aller lande tegenwoordig stormenderhand inneemt. Voor ons plezier (en ook een beetje de portefeuille van de overlevende leden) kwamen ze tonen waar al die jonkies de mosterd haalden. De dode oerleden en meesterbreinen Fred ’Sonic’ Smith en Rob Tyner waren er evenwel niet bij, maar de vervangers hielden zich acceptabel staande. “Kick out the jams” klonk fantastisch, maar dertig jaar geleden waarschijnlijk nog fantastischer. Een fijne, opwindende en onderhoudende muziekgeschiedenisles.

Ook Jack en Meg White hebben goed naar MC5 geluisterd. Het rifje van “Seven nation army” wordt meer ongepast dan gepast door bezopen voetbalfans en festivalgangers in het rond gebruld, dus ze mochten Pukkelpop afsluiten. Voor velen leek het vooral wachten op dat ene rifje. Uiteindelijk kregen we dat ook, maar niet nadat de Whites een uurtje getoond hadden dat ze met een enkele drum en gitaar fantastische garageblues weten te maken. Af en toe werd er duchtig gejamd en het leek hen geen fuck te kunnen schelen of ze nu voor een volle Pukkelweide of in een obscuur Detroits achterzaaltje zaten te spelen. Wij vonden het geweldig, maar misschien waren The White Stripes toch net iets te eigenzinnig om Pukkelpop af te sluiten.

2004 was een goed jaar, maar wel een van oude (soms vergane) gloriën, en jonge groepjes die op een vreemde manier toch net genoeg van elkaar (en hun voorbeelden) verschillen om ons te boeien. Ook dit jaar zagen we weer de fijnste optredens op de randpodia en ontdekten we haast bij toeval enkele boeiende nieuwe geluiden. Sommige grootheden speelden helaas net dat festivaloptreden teveel en zo zakten gevestigde namen door het ijs (ja, dEUS en Soulwax: jullie). Pukkelpop was weer anders dan we verwacht hadden dus, maar dat hadden we na al die jaren ook wel kunnen denken. Overigens, als we één suggestie mogen doen naar volgend jaar toe: Oppiekoppie Noord is een véél leukere naam dan het wat idiote Pukkelpop. Het is maar een suggestie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × drie =