Cabin Fever




Een meisje heeft een ziekte die ervoor gezorgd heeft dat haar
huid in donkerpaarse en zwarte blaren is samengetrokken en dat ze
niet alleen bloed ophoest, maar het spul ook nog eens lekt uit elke
porie van haar lichaam. Haar zogenaamde vrienden zijn bang dat ze
zelf ook ziek zullen worden, en sluiten haar op in een schuur, tot
ze hulp kunnen vinden. Maar in het bos waarin ze zich bevinden,
schuilt een wilde hond, die verder niets met de plot te maken
heeft, en wanneer ze niet kijken, heeft het beest het meisje
aangevallen. We zien hoe haar gezicht helemaal weggevreten is,
enkele bloederige hompjes vlees hangen nog rond haar ontblootte
gebit. Maar nu komt het beste nieuws: ze lééft namelijk nog, en we
horen haar moeizame, pijnlijke ademhaling. Tot haar beste vriend,
die al jarenlang verliefd op haar is, eindelijk medelijden met haar
krijgt en haar doodslaat met een spade.

‘Cabin Fever’ hangt aan elkaar van dat soort scènes, een
vaststelling die onrustwekkend zou zijn, indien het hier een
horrorfilm betrof. Maar dat is niet zo. Wat regisseur Eli Roth hier
in elkaar heeft gestoken, is immers een komedie, een
horrorpastiche, duidelijk gemodelleerd naar dé horrorpastische bij
uitstek: ‘Evil Dead’. Wie die film kent, weet wel ongeveer wat hij
kan verwachten, maar dan tot euhm… nuja, “leven” gebracht met
moderne speciale effecten die de soms hallucinante hoeveelheden
bloed en gore beelden een schrikwekkende geloofwaardigheid
meegeven. En net als bij ‘Evil Dead’, zullen er ook hier
ongetwijfeld twee instinctieve reacties zijn van de kant van het
publiek: complete walging, of smakelijk gelach. ‘Cabin Fever’ was
een low-budget productie, waarvan niemand wat verwachtte, maar die
de festivals voor fantastische films en horrorprenten afliep en
gaandeweg onder de fans een positieve buzz wist op te wekken. Nu is
hij een soort van instant video-klassieker geworden, populair bij
het soort mensen die het volledige oeuvre van Ruggero Deodato in
hun kast hebben staan.

Het verhaal dan maar: vijf onvoorstelbaar arrogante studenten,
besluiten een weekje door te brengen in een blokhut ergens in een
van God verlaten bos. We hebben de irritante zatlap (James
DeBello), de angstwekkend Arisch uitziende blonde (Joey Kern, die
wel familie lijkt van Lucius Malfoy uit ‘Harry Potter’), de sul (Rider Strong, en
als dàt geen naam is om in pornofilms mee te gaan spelen), de slet
(Cerina Vincent) en de tuttebel (Jordan Ladd). Al op hun eerste
avond gaat het mis, wanneer er plots een hevig bloedende, om hulp
smekende man voor hun deur staat. Onze helden zijn echter bang voor
infectie en steken de kerel in brand – hoe zou u zelf zijn?
Gedurende de volgende paar dagen ontdekken ze allemaal bij zichzelf
gelijkaardige symptomen, en terwijl het onverklaarbare, vleesetende
virus hun lichamen verteert, voeren ze een verbeten strijd uit met
elkaar en de stuk voor stuk zwaar gesjeesde dorpsbewoners.

Eli Roth maakt hier een horrorfilm die er een punt van maakt om
toch maar zoveel mogelijk clichés van het genre te bevestigen. Niet
alleen zijn de personages zó weggelopen uit pakweg ‘Friday The
13th’, of elke andere slasherfilm die nog niet wist hoe onnozel het
genre wel was, maar ook alle plotwendingen zijn terug te sporen
naar een bekende voorganger. De blokhut uit ‘Evil Dead’, het meer
uit ‘Friday The 13th’. Zelfs de boerenlullen die het de
hoofdpersonages moeilijk maken, lijken zo weggelopen uit
‘Deliverance’. ‘Cabin Fever’ doet geen enkele moeite om de clichés
te rechtvaardigen of de resulterende onzin in het scenario goed te
praten – deze film pronkt er juist mee.

In essentie is dit één lange inside joke, waarin de regels van
het genre zéér nadrukkelijk worden opgevolgd. Zo nadrukkelijk
zelfs, dat het komisch wordt. Neem bijvoorbeeld de eenzame sul, die
al jarenlang verliefd is op het onbereikbare meisje. Elke
slasherfilm heeft er zo eentje, en doorgaans is hij de eerste die
eraan gaat. In deze film krijgt hij z’n kans om een intiem moment
met haar te beleven. Hij laat z’n hand onder de lakens gaan, en
begint haar te strelen – enkel om een handvol bloed weer boven te
halen. Haar vlees is daar beneden immers aan het wegrotten, ziet u.
Dat is een voorbeeld van de manier waarop Roth in deze film de
conventies van het genre dusdanig consequent doortrekt, dat ze
ronduit ridicuul worden. Nog een voorbeeld: de onheilspellende
muziek. De score van ‘Cabin Fever’ had zo uit ‘Sleepaway Camp’
kunnen komen, een bedoening met veel te veel blaasinstrumenten die
voor een constante, overnadrukkelijke achtergrond zorgen. Maar wat
Roth doet, is die typische score ad absurdum gebruiken. We zien de
blokhut en pwééép, daar horen we die muziek weer oprispen als een
zure boer na een te grote maaltijd. We zien de jongens de deur
opengooien, en pwééép, daar gaan we weer. Er zullen ongetwijfeld
mensen zijn die het allemaal serieus wensen te nemen, maar de
ervaren fans van het genre weten wel beter.

Dat alles zorgt ervoor dat ‘Cabin Fever’ een film is die het
vrijwel zonder suspense moet stellen. We krijgen gore beelden
genoeg, en hier en daar zelfs een schrikeffect dat werkt, maar voor
het overige kunt u dit best maar zo luchtig mogelijk nemen. Wanneer
dat vleesloze gezicht ons toegrijnst, is dat een walgelijk beeld –
maar luister naar die twee of drie sick bastards die tóch zitten te
lachen. Dat is namelijk het doelpubliek.

Echte gebreken, gebreken die je de makers kunt verwijten indien
je rekening houdt met de opzet van de film, zijn er ook wel: zo
moesten de scènes met de wilde hond opnieuw worden opgenomen met
een ander dier, toen bleek dat het originele beest niet genoeg
energie uitstraalde. Het enige dat de makers konden vinden, was een
zeer agressieve aanvalshond van de politie, die er niet op
vertrouwd kon worden de acteurs niet echt aan te vallen. Het gevolg
is dat de hond en de acteurs nooit in hetzelfde shot te zien zijn,
wat leidt tot een aantal ronduit ridicule scènes, waarin het
pijnlijk duidelijk is dat de magie van een montagekamer alles is
dat man en dier verenigt. Veel erger dan de hond, echter, is
Guiseppe Andrews als hulpsheriff Winston, een kwal met een babyface
die elke keer dat hij op het scherm komt, de hele film stillegt.
Als er iemand is die een vleesetend virus verdient, is hij het
wel.

Ik kan ‘Cabin Fever’ met de beste wil ter wereld geen goeie film
noemen, maar hier en daar heb ook ik de sick bastard in mezelf
kunnen laten spreken, en heel hard gelachen. En de rest van de tijd
bleef het sowieso altijd duidelijk dat dit een film is die gemaakt
werd voor een specifiek publiek, dat zich hiermee zal rotamuseren.
Voor de fans, dus.

About

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × twee =