Bright Young Things




Vele jaren voor er XTC bestond en voor de landelijke jeugd elk
weekend loos ging in vunzige clubs à la Zillion (elke trouwe kijker
van Kanaal 2 en VT4 rouwt nog steeds om het heengaan van die tent),
had je natuurlijk ook al de zogenaamde jeunesse dorée:
gepriviligeerde rijkeluiskindjes die het geld van hun familie
erdoor gingen jagen op eindeloze feestjes. Veel verstand hadden ze
niet, maar ze waren jong, mooi en ze hadden geld om mee rond te
smijten. Dat soort van mensen bestonden al in de jaren twintig en
dertig, zo blijkt, en God weet dat ze nu nog bestaan – vroeger stak
ik graag de banden van hun BMW’s plat, tot ik van Erik Van Looy
leerde dat het veel eenvoudiger en leuker is om tegen hun klinken
te pissen. Evelyn Waugh (die trouwens een man was), schreef in 1930
de roman ‘Vile Bodies’ (de titel alleen al!), waarin hij een
bijtend cynisch exposé leverde van die bright young things, die
richtingloze lege hoofden die enkel van het éne glas champagne naar
het volgende leefden. Acteur, schrijver en all round capital
poofter
Stephen Fry maakt zijn regiedebuut met deze verfilming.
En hoewel we niet van een onverdeeld succes kunnen spreken, laat
het resultaat zich best bekijken.

We maken kennis met zo’n groepje party animals uit het
Londen van eind jaren dertig – Nina Blount (Emily Mortimer) is de
officieuze leider van de bende, en trekt van feest naar feest met
in haar kielzog de volstrekt debiele Agatha (Fenella Woolgar) en
een geassorteerd stelletje poseurs. Wanneer Nina’s verloofde, de
would-be schrijver Adam (Stephen Campbell Moore), haar opnieuw komt
opzoeken, raakt ook hij betrokken in de hedonistische levensstijl
van zijn vriendin. Via zijn werkgever, de krantentycoon Lord
Monomark (Dan Aykroyd), krijgt hij de opdracht om een column te
schrijven over de levensstijl van de rijken en verwenden. Elk feest
wordt een krantenverhaal en een tijdlang gaat alles goed – maar de
vraag blijft hoe lang je zo’n leventje kunt volhouden zonder er
definitief aan onderdoor te gaan.

Fry schept er duidelijk genoegen in om het wereldje van zijn
bright young things in beeld te brengen; hij laat zijn
camera op een ongelooflijk zwierige manier door het feestgedruis
bewegen, waar we al die mooie mensen zien rondlopen – ze snuiven
coke, drinken dure champagne en het enige dat ze weten te
vertellen, is dat ze zich vervelen. Vanaf het begin is het
duidelijk dat dit mensen zijn die alleen maar leven voor hun
sociale functie van feestvarken. Achter dat masker van vrolijkheid
en losbandigheid gaat helemaal niets schuil, geen verstand, geen
diepte, geen ziel. Fry laat zich van z’n beste kant zien voor die
feestscènes: de kleuren spatten het scherm af en de camera staat
geen moment stil, zodat we een bijzonder energieke indruk krijgen.
Vergelijk dat dan met meer tragische scènes aan het einde, waarin
de bewegingen worden teruggeschroefd tot enkel het noodzakelijke en
de kleuren uit de film lijken weggezogen, tot enkel een saai grijs
nog overblijft. Mooi gedaan.

Wat ik ook wel kon pruimen, was de over-de-top manier waarop de
personages werden geïntroduceerd. Alles aan deze film is er bewust
een beetje óver, om aan de kijker duidelijk te maken wat voor
schertsfiguren die mensen eigenlijk wel zijn. Zo maakt Adam kennis
met de afgezette koning van Anatolië (gastrol van Simon Callow),
een ietwat verward heerschap die er nog het meest mee inzit dat ze
z’n gouden pen hebben afgepakt. Wanneer Adam iets later aan de
aanwezigen in het algemeen vraagt wat zij zouden doen met duizend
pond, schreeuwt de man het dan ook uit: “Een gouden pen kopen!” Ja,
dat is erover, maar het werkt wel. Hetzelfde geldt voor Jim
Broadbent als een permanent benevelde majoor die beweert een gouden
tip te hebben voor een paardenrace – Broadbent speelt de man
volgens de letter van de lange, rijke traditie aan Engelse
zatlappen, wat wilt zeggen dat hij er een regelrechte karikatuur
van maakt. Maar opnieuw: binnen de sfeer van de film past het.
Alles hier speelt zich af in een soort van overdreven versie van de
werkelijkheid (het surrealisme noemen, zou wellicht te ver gaan).
Net zoals de levens van de bright young things over de top
gaan.

Er wordt over het algemeen goed geacteerd – Moore is een kalme,
understated aanwezigheid in de hoofdrol en slaagt er zonder
noemenswaardige moeilijkheden in om de kijker mee binnen te voeren
in de plot. Maar het is Woolgar die de show steelt als de duffe
Agatha – er zit een scène in de film waarin Agatha, zat als een
kruk en stoned als een huis, tot haar eigen verbazing deel moet
nemen aan een autorace. De gevolgen zijn niet te overzien. Alleen
al de gezichtsuitdrukking van Woolgar tijdens deze scène, maakt de
film de moeite waard.

Dat alles zit dus wel goed: ‘Bright Young Things’ ziet er goed
uit, het is vaak zeer geestig en er wordt degelijk acteerwerk
geleverd. Maar toch scheelt er iets aan. De roman van Waugh was een
eigentijds werkstuk, waarin de namen van de personages enkel als
schaamlapje dienden voor reële personen. Iedereen die het boek las,
wist wel over wie Waugh het had, wat van ‘Vile Bodies’ aanvankelijk
een soortement schandaalsucces maakte. Nu, daarentegen, zijn al die
mensen al lang vergeten, en een groot deel van de relevantie van
het werk daarmee ook. Natuurlijk kunnen we de plot van de film nog
steeds toepassen op onszelf en onze maatschappij – ga maar eens
kijken wat voor vreselijke mensen je terugvindt in dancings overal
ten lande. In feite is er absoluut niks nieuws onder de zon. Maar
aangezien het verhaal zich afspeelt in de jaren dertig, wordt er
een afstand gecreëerd tussen de film en het publiek – wat we zien
is al lang geleden, het is onze wereld niet meer. En dat komt niet
handig uit wanneer je wilt dat je publiek conclusies uit je film
trekt over hun eigen leven. Wat dat betreft schiet ‘Bright Young
Things’ z’n doel dus regelrecht voorbij.

Bovendien opteert Fry hier voor een happy end, dat naar verluidt
niets te maken heeft met het einde van de roman. Zonder het boek
gelezen te hebben, kan ik in ieder geval zeggen dat de laatste
scènes van de film sowieso bijzonder geforceerd aanvoelen, alsof
Fry het in extremis toch niet aandurfde om de mooie, domme jeugd
van toen helemaal in hun hemd te zetten. Een satire als ‘Bright
Young Things’ moet eigenlijk ongenadig zijn om te werken. Zoals het
is, lijkt de film een duidelijke clou te missen. Het is een verhaal
over mensen die feesten tot ze er – onvermijdelijk – aan ten onder
gaan. Dan moet je ook het lef hebben om die lijn door te trekken en
je personages er inderdaad aan ten onder te laten gaan.

http://iconmovies.co.uk/brightyoungthings/index.html

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 1 =