Salvador


Oliver Stone was een herrieschopper vanaf het begin. Na zijn (terecht) weinig opgemerkte low budget horrorfilm ‘The Hand’, trok hij voor het eerst ten oorlog met ‘Salvador’, een energieke, levendige, volstrekt onsubtiele en ruwe film over de Amerikaanse betrokkenheid in het Zuid-Amerikaanse land. Het was de eerste keer dat hij een politieke film draaide, en hoewel zijn methodes en stijl sindsdien verfijnd werden, voornamelijk via de grotere financiële en technologische middelen die beschikbaar zijn geworden, is Stone in feite nog steeds dezelfde man als toen. Iemand die op een zeepdoos staat en ons luidop geschiedenislessen bijbrengt – de geschiedenis zoals hij die ziet. En hoewel je hier en daar zijn boodschap of zijn middelen om die mee te delen moet betwijfelen, valt het moeilijk om te ontkennen dat hij een briljant spreker is.

James Woods speelt Richard Boyle, een aan lager wal geraakte freelance journalist. Aan het begin van de film woont hij in een luizig flatje in San Francisco, zonder werk, zonder geld of vrienden om hem een van beide te geven. Wanneer ook zijn vrouw hem verlaat, pakt hij simpelweg zijn boeltje en vertrekt op eigen houtje naar Salvador, vergezeld door een vriend, de werkloze dj “Doctor” Rock (James Belushi). Boyle kent mensen in Salvador, waaronder een vroegere vlam, Maria, en denkt dat hij aan de oplaaiende burgeroorlog ginder een mooi verhaal kan overhouden. Wanneer hij er echter aankomt, ontdekt hij dat de waarheid veel erger is dan hij had kunnen vermoeden.

Bij ons zijn de geschiedkundige feiten waarop ‘Salvador’ gebaseerd is, weinig gekend, en voor zover ze gekend zijn, worden ze als weinig interessant of relevant beschouwd. Het feit is dat de Amerikaanse overheid aan het einde van de jaren zeventig, begin jaren tachtig, “een dreiging van het communisme” ervaarde in verschillende Zuid-Amerikaanse landen, waaronder Salvador. Het land werd al meer dan vijftig jaar lang bestuurd door de ene junta na de andere – persoonlijke vrijheden waren slechts een illusie, verkiezingen waren schijnvertoningen. Geen wonder dan, dat er een linkse rebellie kwam, geïnspireerd door het Marxisme. Net zoals elke moslim tegenwoordig een fundamentalist is voor de Amerikanen tot het tegendeel bewezen is, was toen elke linkse rakker een communist en bijgevolg een bedreiging voor de VS. Het militaire bewind van Salvador kreeg een training in politiescholen in de VS, en werd later voorzien van wapens en “militair advies” om toch maar aan de macht te blijven terwijl het burgerlijk verzet steeds heviger werd. De enige reden waarom deze situatie niet escaleerde tot een tweede Vietnam, was omdat de Amerikanen ditmaal slim genoeg waren om zich niet openlijk te mengen in de burgeroorlog – hun betrokkenheid werd voor de officiële versie beperkt tot advies en steun, zodat ze zich in feite op elk moment konden terugtrekken uit het conflict. Toen was het Zuid-Amerika, nu is het het Midden-Oosten. Sommige dingen veranderen nooit.

Een dergelijk geschiedenislesje (vereenvoudigd, zal ik er maar meteen bij zeggen, voordat ik boze mails binnenkrijg), kan geen kwaad voor wie een duidelijk beeld wil hebben van wat er in ‘Salvador’ precies gebeurt. Oliver Stone rekent hier immers op een bepaalde voorkennis van het publiek – de situering van het conflict gebeurt vluchtig, in snel afgeraffelde dialogen, zodat hij verder kan gaan met de belangrijkste gebeurtenissen die er deel van uitmaakten: de moord op aartsbisschop Romero, de verkrachting van en moord op vier Amerikaanse nonnen op een humanitaire missie, de verkiezing van Ronald Reagan, die ervoor zorgde dat de hele smerige boel nog eens jarenlang kon doorgaan – de communisten stonden immers al lang kwijlend en met rode vlaggen zwaaiend voor de deur, wist u dat niet?

Het scenario, gebaseerd op waargebeurde feiten, moet zich soms in vreemde bochten wringen om Boyle altijd op de juiste plaats op het juiste moment te krijgen. Er is niets belangrijk in Salvador gebeurd, of hij was er wel bij – op de eerste rij van de kerk toen Romero werd vermoord, bijvoorbeeld. De Boyle van deze film spendeert geen seconde achter een typemachine, maar drinkt zich te pletter en rookt zich suf aan marihuana. Hij heeft nooit geld, maar wel een schijnbaar onuitputtelijke voorraad horloges waarmee hij lagere militairen omkoopt. Wanneer schrijft hij zijn stukken en naar wie stuurt hij ze op? Wat gebeurt er heel die tijd met Doctor Rock, die ongeveer halverwege de film spoorloos verdwijnt, om af en toe nog eens even op te duiken, meestal wankel op z’n benen vanwege de drank in z’n lijf? ‘Salvador’ zit vol met dat soort van kleine inconsistenties en onvolkomenheden. Dat de film toch overleeft, en toch een zekere indruk weet te maken, is in de eerste plaats te danken aan de acteurs en de frenetieke energie die Oliver Stone in z’n film weet te stoppen.

James Woods lijkt wel geboren om Boyle te spelen, een gluiperige, manipulatieve journalist, die zelfs in de biechtstoel nog een deal probeert te maken met de priester – ‘Het is toch wel oké als ik af en toe eens zat word, dat moet ik toch niet opgeven?’ Woods is één van de meest hyperkinetische acteurs in het vak. Hij is continu in beweging, spreekt snel, snauwt z’n teksten alsof er van elk woord dat hij zegt levens afhangen. En voor deze rol is dat precies wat er nodig is om het geloofwaardig te maken – hij is geen sympathiek man, maar hij heeft wel gelijk, en tegen het einde zien we in dat hij de enige is die bereid is om risico’s te nemen voor de mensen van Salvador. In tegenstelling tot de Amerikaanse militaire macht, die enkel aan haar eigen belangen denkt – zelfs een goed bedoelende ambassadeur wordt aan de handen gebonden, is machteloos. De rest van de media, vertegenwoordigd door een idiote vrouwelijke reporter uit New York, laat zich gewillig in slaap sussen door de officiële leugens. In vergelijking daarmee, is Boyle een soort van held.

Samen met z’n cameraman Robert Richardson, geeft Stone de film een documentaire-achtige look mee: veel werk met handgehouden camera’s en steadicam, het gebruik van vuile kleuren en diepe schaduwen en een set design die de smerigheid en het verval van de steden sterk benadrukt, dragen allemaal bij om hier een film van te maken met een sfeer van urgentie. Het overheersende gevoel is dat de filmmakers hun verhaal zo snel mogelijk willen vertellen, omdat ze iets belangrijks te zeggen hebben. En daarbij mogen de fijnere puntjes, zoals een scenario dat net wat beter uitgewerkt had mogen worden, best vergeten worden.

‘Salvador’ was een sterke introductie voor de latere carrière van Stone – alle kenmerken waren er al. Er was alleen nog wat tijd voor nodig om ze volledig bij te schaven en te perfectioneren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 2 =