Twin Peaks

De originele uitzendingen van ‘Twin Peaks’ op televisie werden algauw een wekelijks evenement, meen ik mij te herinneren, iets waar de volgende dag over werd gesproken in kantoren en scholen. Zelf was ik op dat moment net iets te jong om deel te nemen aan de hype, maar ik heb een oudere zus die geen enkele aflevering wilde missen. De vraag “who killed Laura Palmer” echoodde wekenlang wel zo’n beetje door het nationaal bewustzijn. Het enige probleem met ‘Twin Peaks’ was, dat na een aantal afleveringen die vraag beantwoord werd, en de verdere beslommeringen van de inwoners van het stadje nabij de Canadese grens begonnen schijnbaar opeens minder interessant te lijken. Ook in de VS werd men dit fenomeen gewaar: de verschillende plotlijnen gingen op steeds absurdere manieren door elkaar lopen, en het centrale mysterie was opgelost. En ondanks de onwaarschijnlijk vlotte verkoop van de soundtrack, en merchandising zoals “het echte dagboek van Laura Palmer” – ook ù hebt er nog eentje ergens op de zolder liggen – begonnen de kijkcijfers terug te lopen.

‘Twin Peaks’ blijft dan ook bekend staan als één van de meest fascinerende projecten uit de geschiedenis van tv, én als een meesterwerk dat had kunnen zijn. De serie begint met de moord op een locale beauty queen, Laura Palmer (Sheryl Lee). De plaatselijke politie, aangevoerd door de recht-door-zee sheriff Harry S. Truman (Michael Ontkean), kan de zaak niet aan en roept de hulp in van het FBI. Speciaal agent Dale Cooper (een kostelijke Kyle MacLachlan), wordt naar het slaperige stadje gestuurd – een vrolijke man, die gek is op zwarte koffie, en zich verder bezighoudt met boeddhisme, spiritisme en deductie. Gaandeweg krijgen we zicht op de verschillende inwoners van ‘Twin Peaks’, die allemaal een verborgen leven leiden, allemaal lijken in de kast hebben, of het nu drugs is, verzekeringzwendels, buitenechtelijke liaisons of iets anders. Voeg daar nog de geesten aan toe, die na een paar episodes beginnen opduiken, en het resultaat is een bizarre trip, die meer had kunnen zijn dan wat het is, indien men Lynch en co-auteur Mark Frost hun zin had laten doen.

De oorspronkelijke bedoeling was om nooit de identiteit van de moordenaar te onthullen. ‘Twin Peaks’ moest een volwaardige soap-parodie worden, die jarenlang door zou lopen, met plotlijnen die steeds uitzinniger werden en steeds meer openlijk de conventies van soap opera’s zou gaan bespotten. Bepaalde wendingen tijdens het tweede seizoen wijzen trouwens al in die richting, inclusief een ex-partner van Cooper, die zich in de tussentijd heeft laten ombouwen tot vrouw (gespeeld door een hilarische David Duchovny). Maar de producerende zender verplichtte hem om toch een naam op de moordenaar te plakken, en hoewel die finale-episode een staaltje van de beste televisie ooit gemaakt is (een razendspannende aflevering), was hiermee in feite het doodvonnis van de serie ook getekend. De meeste kijkers waren perfect bereid om alle ongein erbij te nemen, de gewild idiote plotwendingen, de waanzinnige personages, zolang ze ondertussen maar het idee kregen dat er vorderingen werden gemaakt in het onderzoek naar het mysterie dat aan de kern van de zaak lag. Dat was de haak waaraan ‘Twin Peaks’ werd opgehangen. Neem die weg, en alles valt plat op z’n achterste. Het uiteindelijke resultaat was dat de kijkcijfers achteruit liepen, en Lynch na 29 afleveringen een einde moest breien aan zijn televisie-avontuur.

Televisie is sowieso altijd een moeilijk medium geweest voor Lynch – een latere sitcom, ‘On The Air’, zou maar vijf afleveringen lopen, en zelfs ‘Mulholland Drive’ was oorspronkelijk bedoeld als de pilot van een nieuwe reeks. Een wegwerpmedium als tv wordt in de eerste plaats verondersteld om makkelijk te volgen entertainment te bieden, iets licht voor bij de strijk. De meeste Amerikaanse series zijn er zelfs op ontworpen om nog steeds te kunnen volgen als je niet kijkt, maar alleen maar luistert naar de dialoog, aangezien tv kijken iets is dat je simultaan doet met iets anders. En dààr moet je dan een programma als ‘Twin Peaks’ op smijten, iets dat van begin tot eind je aandacht vereist, een inspanning van het publiek.

‘Twin Peaks’ bleef in ieder geval een serie met een ronduit briljant eerste seizoen, en een tweede waarin interessante elementen toch steeds bleven bovendrijven. Een mens kan zich alleen maar inbeelden wat het had kunnen worden, indien Lynch z’n zin had mogen doordrijven.

Inhoudelijk is de serie niet alleen een uitzonderlijk geestige satire op de soap, maar ook een verderzetting van een thema dat later een soort van constante in zijn films zou worden: de geheimen die verborgen liggen onder kleinsteeds Amerika. Dat idee kwam voor het eerst duidelijk tevoorschijn in ‘Blue Velvet’, maar krijgt hier pas een grondige behandeling: iedereen heeft geheimen, het vredige uiterlijk van het stadje is enkel een glanslaagje bovenop een moeras aan intriges. Lynch introduceert opnieuw het bovennatuurlijke (dansende dwergen, reuzen, moordende geesten) aan het banale, en ditmaal krijgt die clash 29 afleveringen om na te resoneren, met komische, dramatische en angstaanjagende gevolgen. Wie echt de pretentieuze filmanalyst wil uithangen, kan zich zelfs vragen stellen bij het statement dat de serie maakt over het geloof dat dode zielen zich nog in levende lichamen kunnen voortbewegen, en hoe dàt idee (misschien) weer opduikt in ‘Lost Highway’. En je kunt ook praten over de manier waarop alle visuele tics van Lynch hun weg weer terugvinden: dwergen, rode gordijnen, vuur… Maar wie wil dat?

Er bestaat immers een neiging om het werk van Lynch in het algemeen, en ‘Twin Peaks’ in het bijzonder, té serieus te nemen. Ik ben ervan overtuigd dat Lynch en Frost zich in de eerste plaats wilden amuseren met het medium televisie, kijken hoe ver ze zouden kunnen gaan. Ze gebruikten het medium om het medium zelf in het belachelijke te trekken, en dat doen ze vaak op een schaamteloze manier. Er is geen niveau waartoe ‘Twin Peaks’ niet bereid is om te zinken, wat duidelijk wordt tijdens bijvoorbeeld een scène waarin de klunzige politieagent Andy op een loszittende plank in een veranda trapt. Hij krijgt de plank frontaal in het gezicht, en waggelt in zuivere Charlie Chaplin-stijl enkele stappen verder voordat hij eindelijk neervalt. Een moment van zuivere slapstick, middenin een aflevering van een tv-reeks die het hele intellectuele volkje al heeft opgeëist en op de sokkel “pop-kunst” heeft gezet. Dàt is lef hebben.

David Lynch heeft uiteindelijk de tv niet kunnen overwinnen – die industrie is zo’n log en machtig bakbeest, dat hij nooit een reële kans heeft gehad om dat te doen. Maar een tijdje lang had hij ze allemaal bij de kraag, had hij de tv verslagen met z’n eigen wapens. Alleen jammer dat die overwinning niet heeft mogen duren. Hoe het ook zij, ‘Twin Peaks’ is tv-geschiedenis, en een herontdekking op dvd meer dan waard.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × vier =