De Roovers over Histoire d’A :: ”De bloedbaan van een oorlog”

De Roovers zoeken, telkens opnieuw, door de bossen van het theater. Ze laten zich leiden
door het materiaal dat ze in handen hebben en voeren er een waar gevecht mee. Oorlog is duidelijk
een thema dat hen bezighoudt. Peter Verhelst verlichamelijkt deze oorlog in zijn schrijfstijl: een
onbegrijpelijke, gapende wonde. Een gesprek met drie Roovers: Robby Cleiren, Sare De Bosschere en
Sofie Sente.

Goddeau: De associatie De Roovers/Die Räuber van Friederich
Schiller/Spietltrieb/Sturm und Drang. Kunnen jullie daarop verder gaan?

Robby Cleiren: "Die Räuber is het eerste stuk dat we gespeeld hebben toen we pas
afgestudeerd waren, in coproduktie met Maatschappij Discordia. Wij vonden De Roovers inderdaad een
goede groepsnaam omwille van de impliciete verwijzing naar Sturm und Drang, een stuk waar jonge
studenten zich in de Boheemse bossen terugtrekken om na te denken over een andere manier van leven
en hoe een eigen ‘maatschappij’ te beginnen. Vooral het feit dat ze noodgedwongen aan de
rand van die gehekelde wereld moeten blijven, namelijk in de bossen, vonden we een mooie metafoor.
Bovendien is Die Räuber een schoolvoorbeeld van het soort klassieke repertoireteksten waar
we ons met De Roovers meestal op toeleggen."
Sara De Bosschere: "Daarom is het ook met twee o’s, in de oude spelling."

Goddeau: Histoire d’A is uiteindelijk iets compleet anders geworden: jullie hebben met
een hedendaagse auteur gewerkt én zijn uitgegaan van een totaal andere tekst dan jullie
gewoon zijn. Welke repercussies had dit op de manier waarop jullie op de scène
stonden?

Debosschere: "Onze manier van werken is in elk geval onveranderd gebleven. We zijn er
eigenlijk van uitgegaan dat ook Histoire d’A een repertoirestuk omvat. Ik denk dat dat
uitgangspunt op zich niet onverdedigbaar is. Het gaat immers over een voorstelling die binnen een
specifiek tijdskader tot stand is gekomen. We hebben dat tijdskader geanalyseerd en hebben
geprobeerd om onderliggende structuren op te vissen. Maar we zijn dikwijls op een muur gestoten
omdat de tekst waarmee we aan de slag moesten nu eenmaal niet zoals een klassieke repertoiretekst
was opgebouwd."
Sofie Sente: "Bij onze zoektocht zijn we telkens tot de conclusie moeten komen dat de
overkoepelende gedachte de idee omvat dat er geen overkoepelende gedachte is. En dat is heel
moeilijk om mee om te gaan. We zijn gewoon om altijd door te denken, net omdat we zoveel belang
hechten aan wat de mensen onderhuids bezighoudt. En met deze tekst kan dat niet."
Debosschere: "Het is het stuk zelf dat ons bindt. Als je met een klassiek stuk werkt
dan kan je het stuk vanop een afstand bekijken en de gelaagdheid ervan onderzoeken. Hier zijn de
beelden en de manier van nu en van heel kortbij. Het gesampelde karakter van de teksten van Peter
Verhelst, het associatieve, de ‘stream of conscienceness’, dat is iets helemaal anders.
We hebben bewust gekozen voor afstandelijkheid op de scène, om aan te tonen dat de beelden
die we schetsen toevallig zijn en dus allesbehalve de absolute waarheid over oorlog belichamen.
Als je over oorlog nadenkt, zal je nooit een juist beeld vinden. Vandaar dat onze opvatting
opgebouwd is uit fragmentarische woorden, flarden van scènes, herinneringen,
situaties."
Sente: "De bedoeling is dat het publiek met een aantal zintuiglijke ervaringen wordt
opgezadeld en zo aan het denken wordt gezet. Het is echter niet evident om zoiets bij een publiek
te bewerkstelligen. Ik kan me in elk geval in geen enkele vorm van ‘catharsistoneel’
vinden en met mij niemand van De Roovers. Het past gewoon niet in onze theaterfilosofie om
doorleefde karakters op de planken te brengen. Vraag blijft: hoe de mensen op een andere manier aan
het denken zetten? Het vinden van een antwoord daarop is eigenlijk een beetje ons gevecht geweest.
Ofwel neem je een duidelijk standpunt in over het gegeven ‘oorlog’ ofwel doe je dat niet
en kies je voor een fragmentarische benadering. Je gaat ervan uit dat je het er eigenlijk niet kunt
over hebben."

Goddeau: Histoire d’A is qua consept nogal verschillend van de andere
Rooversvoorstellingen, vooral in de manier waarop jullie op de scène stonden.

Sente: "Het mag geen excuus zijn voor een minder geslaagde voorstelling, maar ik vind
het op zich heel goed dat als we een voorstelling maken, we zonder pasklare oplossingen werken en
ons niet laten vastpinnen op dat ene ‘sucesrecept’. Na Maria Stuart kwam iemand
me zeggen: "Dat is nu eens typisch De Roovers!" Wel, daar word ik kwaad van! Natuurlijk
zijn er dingen die altijd terugkomen omdat de samenstelling is wat ze is. Ik vind dat Histoire
d’A
wél een Rooversvoorstelling is omdat we het resultaat heel erg laten afhangen van
het materiaal."

Goddeau: Jullie zijn duidelijk politiek geëngageerd en bezig met de actualiteit. Hoe ligt de
verhouding tussen persoonlijk en politiek engagement?

Cleiren: "In de eerste plaats zijn we op zoek naar teksten die ons aanspreken. Dan
blijkt dat wij vaak botsen op teksten waarin er iets wordt verteld over een maatschappij, maar er
zit ook meestal een persoonlijk verhaal in. En daar situeert zich voor ons de ingang tot de tekst.
Maria Stuart bijvoorbeeld kan je zien als een politiek stuk over macht, maar ook als een
verhaal tussen twee vrouwen die elkaar het bloed onder de nagels halen. Als mensen die politieke
laag eruit halen — die er voor ons zeker in zit — dan dat vind ik fantastisch."
"Peter schrijft zoals een schilder schildert. Hij gebruikt zeer veel beelden, wat het ook heel
moeilijk maakt om daar dan een beeld tegenover te stellen. Peter zegt dat de verleiding groot is om
uitspraken te doen in de trant van: "Dat zijn de goede en dat zijn de slechte." Hij wil
met zijn tekst alleen de wonde laten zien. Ik kan mij voorstellen dat zijn taal op het eerste zicht
moeilijk overkomt, maar als je op een andere manier iets over oorlog wil zeggen dan snap ik wel dat
zijn soort taal uitkomst biedt. Op een bepaald moment moet je loslaten om te zoeken naar een
verhaal. We willen altijd begrijpen, maar wat valt er aan de oorlog te begrijpen? Die dingen
bevattelijk maken is ook een veiligheid zoeken. Wij willen noch voor het publiek, noch voor onszelf
dat soort veiligheden inbouwen. Ik begrijp wel dat Histoire d’A veel van een publiek vergt.
In een uur en twintig minuten krijg je een opeenvolging van fragmentarische schrikbeelden door de
strot geramd. Maar worden we niet al genoeg met hapklare koek geconfronteerd? Anderzijds vind ik
het wel belangrijk dat je als toneelspeler communikatief blijft ten aanzien van het publiek. We
zoeken wel naar openheid. Ik weet wel niet of we daar nu in gelukt zijn."
"Ik heb eens een verhaal gehoord van een leerling aan de kunstacademie. Die leraar zei op het
einde van het jaar: pak al uw tekeningen mee en maak een stapel van de tekeningen die je goed
vindt, de tekeningen die je slecht vindt en de tekeningen waarvan je het niet weet of ze goed of
slecht zijn. Nadat de leerling zijn stapeltjes gemaakt had, nam de leraar zijn &#145t;goede’
tekeningen en gooide die in de vuilnisbak, daarna nam hij ook het stapeltje ‘slechte’
tekeningen en gooide ook die in de vuilnisbak. De tekeningen waarvan de leerling niet wist of ze nu
goed of slecht waren daarentegen hield de leraar bij, want deze zouden de interessantste zijn. Wel,
dat gevoel hebben wij ook."

Goddeau: Jullie worden vaak op dezelfde lijn met Tg Stan geplaatst. Zij hebben dezelfde
opleiding als jullie gehad en hebben zich tegen een aantal aspecten van de opleiding heel erg
afgezet. Hoe zat dat bij jullie?

Cleiren: "Wij zijn eigenlijk toch met zware turbulentie van school weggegaan. Dat is
voor elk van ons vier misschien anders. Uiteindelijk is een jury van buitenaf een handtekening
onder ons diploma komen zetten omdat de mensen van de school dat niet zagen zitten. Heel belangrijk
voor de opleiding is Dora Van der Groen. Zij heeft de dingen enorm hard opengetrokken. We hebben
het geluk gehad zeer verschillende mensen te leren kennen in de opleiding. Toen wij met Jan Joris
Lamers aan Hamlet werkten was dat een rel in ’t school. We gingen collektief aan de
deur gezet worden want het was gruwelijk slecht en we mochten niet meer spelen want het was een
schande. Tja, dan heb je een conflict met je docenten. We hebben er ook wel veel aan te danken.
Maar op het moment dat wij onze eigen stijl ontwikkeld hadden, heeft het dan ook heel hard
gebotst."

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × een =