BEST KEPT SECRET 2017 :: Het betere kot-afbreken

Eindelijk! Dan toch! Ten langen leste! Hebben wij een beetje naar de festivalzomer uitgekeken? Misschien. Een miserabele herfst, een lange winter en een zenuwslopende lente verder is het eindelijk zover. Best Kept Secret: we zijn hier, en we hebben er zin in.

Dag Eén

Vijf jaar al lekt dat Best Bewaarde Geheim uit het zuiden van Nederland weg, en jaar na jaar heeft de faam van het nieuwste festival bij onze Noorderburen zich verspreid. En zo ging het ook met de ambities. Vorig jaar Editors, daar moest voor deze verjaardagseditie over gesprongen, en dus staan Arcade Fire en Radiohead gezellig zij aan zij op de affiche te pronken. Vragen wij ons af, terwijl we het vertrouwde terrein van de Beekse Bergen opsloffen – die droogte heeft de paadjes op de camping geen goed gedaan: wil Best Kept Secret hiermee niet te ver springen? En belangrijker: is dat nieuwe huisbier wel te zuipen, of smeken we na één Kornuit al om onze vertrouwde Belgische Jupiler?

Antwoord in omgekeerde volgorde: “alles is alvast beter dan Heineken”, en “valt af te wachten”. Dat de line-up van het festival buiten de headliners niet uitpuilt van de Namen is wat jammer, maar geen garantie op een miskleun. Best Kept Secret heeft het altijd ook van ontdekkingen moeten hebben, dus afspraak voor die evaluatie zondagnacht. Muziek dan maar? Is dubstep dood? Een pintje? Is onze naam Geheelonthouding?

Amber Arcades dus, nog altijd Neerlands trots die het tot in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten heeft gemaakt, maar vandaag ziet Annelotte De Graaf er in haar wit broekpak uit alsof ze net van haar advocatenjob de backstage is binnengewalst. Even goed horen we hoe hard de frontvrouw het laatste anderhalf jaar is gegroeid. De band klinkt competent, de indiegitaren rinkelen en jengelen, maar we kunnen er ook niet om heen dat De Graafs stem in deze context ontieglijk flauw klinkt en ze ook niet écht memorabele songs bij heeft. Met “Can’t Say We Tried” krijgen we een ballad in pure eightiesstijl – gated drums incluis – vooraleer nijdige gitaren en een dwarse synth hun sabotageopdracht eindelijk uitvoeren, en je weet: dubieus bandje toch, hoe goed setsluiter “Turning Light” ook klinkt.

Van de Two naar de Five ga je via de Four. Op Best Kept Secret is dat elementaire logica, en een flard Spinvis-de-DJ ontsnapt ons niet. Hij ziet er nog steeds uit als uw favoriete leraar Nederlands, maar Erik De Jong mikt wel, ongetwijfeld stilletjes grinnikend, Mory Kantés “Yéké Yéké” in het publiek. Eet dat, hipsters, en anders vinden jullie wel iets bij de miljoenen eetstandjes die over het terrein zijn verdeeld. We voelen maar een klein beetje keuzestress opkomen wat ons avondmaal betreft.

Deense jongelingen in de Five? Dat moet wel het subtiel genaamde Slǿtface zijn, dat voorts niets gevaarlijks uitstraalt. Haley Shea ziet er alleraardigst uit, de jongens rond haar grossieren in poppy grungerock die op zijn best sympathiek is, maar al te vaak tanden mist. Niet dat de frontvrouw geen podiumprésence heeft, maar dat iele stemmetje ontbeert de kracht die deze muziek nodig heeft. Jammer, want wanneer ze even laag mag gaan, hoor je potentieel een goeie zangeres, die enkel het juiste genre moet kiezen. Hoe graag we dit ook goed willen vinden, het wil maar niet lukken.

Even twijfelzuchtig staan we terug aan de Two, want wat is Real Estate een verwarrend bandje. Een uur lang wankelt de band op de dunne lijn tussen dromerig en verveeld. Waar het ene nummer grossiert in prachtige gitaartjes en shoegaze-achtige melodieën, verdwaalt het volgende in een woud van oeverloos gepingel. Het onverslijtbare “Talking Backwards”, een brok melancholie die smeekt om het licht van de ondergaande zon, blijkt uiteindelijk een eenzame uitschieter in een set die van halfslachtigheid troef maakt. Geen miserie, maar voor een echte soloslim was ook meer nodig dan deze flauw bedeelde hand.

Als je naam Agnes Obel is, en je met je delicate muziek op een groot openluchtpodium staat, dan weet je dat drastische maatregelen aangewezen zijn. De Deense folkster is niet dom, en dus mag “Familiar”, het meest directe nummer van haar recente plaat Citizen Of Glass, openen. Het is een zet die werkt: het strand van de Beekse Bergen valt stil, en nu je toch een speld kunt horen vallen, kan alles. Obel komt, ziet, en begeestert met een sterke set. In “It’s Happening Again” walst de piano een eindje weg, terwijl twee cello’s voor een donkere onderlaag zorgen. Een synth heeft maar in te vullen met kekke geluidjes. De all girlband die Obel meebrengt speelt sterk, en vooral subtiel: de juiste noot op het juiste moment. Het fascineert, intrigeert, en hypnotiseert vooral. Wat een gewaagde zet in de programmering leek, wordt een overwinning. Straf.

Vertel het vooral niet verder, trouwens, maar: Best Kept Secret is ook al vijf jaar stiekem een stuk geannexeerd België. Ach, sinds vandaag is dat niet langer geheim. Millionaire, terug uit veel te lang zelfopgelegd isolement, maakt de verovering vandaag compleet. Terwijl talloze Nederlandse vrienden de tent langzaam uitsluipen, blijft het Vaderlands Contingent Tim Vanhamel luidkeels aanvuren. Terecht. Van bij opener “Visa Running” staat de band op “Vet”, mokeren de drums van Damien Vanderhasselt en staat bassist Bas Remans te springen van pure gekte. Als het bastaardkind dat Queens Of The Stone Age en Prince ooit in dat nooit meer te vermelden orgie verwekten is Millionaire vandaag sexy, heavy en funky as hell.

“Street Life Cherry” is een eerste bommetje, de abstracte herrie van “I’m Not Who You Think You Are” volgt. Het even nieuwe “Busy Man” is meer echte single, maar het is scudraket “I’m On A High” die de laatste weerstand platbrandt. Dit is een wereldband die het ongeluk had ergens ten oosten van Brussel te zijn geboren, en dat zou nog altijd geen bezwaar mogen zijn. Zo bewijst ook een onstuitbaar, langgerekt “Champagne”. Maakt niet uit wat Run The Jewels straks doet, Millionaire heeft de eerste dag van Best Kept Secret lang en breed in zijn binnenzak gestoken. Van uw correspondent ter plaatse: het is daar best gezellig. En een beetje zweterig.

“Oh yeah! We came to fuck shit up!”. Na een parmantig “We Are The Champions” laat Killer Mike er geen twijfel over bestaan: Run The Jewels heeft er zin in. Zal ook wel als je dik twee decennia ver in je respectieve solocarrière plots beseft dat het zoveel leuker is met zijn tweeën. Zelden een hiphopshow gezien waar het plezier dan ook zo van af spatte. Als twee dikke, oudere derwisjen tollen Mike en EL-P over het podium, hun spervuur rhymes ratelend, terwijl even vette beats neerkletsen op de planken. Anderhalf uur lang is dit lol met een grote L, en ongetwijfeld ook een grote B van Boodschap. Hebben we niets van begrepen, vanavond, maar dat leek ook niet zo van belang. Wij kirden met de hele wei van genot. Such fun!

Kunnen wij, droogstoppels van recensenten, niet aan, meneer. Na afloop dus snel honderd meter verder afgezakt naar The Japanese House om ons opnieuw professioneel ernstig in de baard te strijken (laten wij speciaal voor zo’n gelegenheden staan). Zwelgen in de melancholie? Ja, dat mag ook bij de liedjes van Amber Bain, die smaakvol worden ingekleurd met veel ritme en dromerige toetsen. Duyster, is het, maar net zo goed heeft het een stevige onderlaag die al te veel dromerigheid aan de grond houdt. “Een trieste puppy die naar Beyoncé luistert om zichzelf op te vrolijken”, omschreef Bain ooit haar eigen muziek. Kijk, als de artiesten ons het werk uit handen nemen, dan kunnen we maar beter wat gaan dansen op Kornel Kovacs en een laatste pint bestellen. Benieuwd hoe Win Butler morgen zichzelf zal recenseren, we houden onze mailbox in de gaten.


Dag Twee

Helaas: geen berichten in onze inbox, dus dan zelf maar weer aan de slag. Heerlijk geslapen onder de dennebomen van de nieuwe camping B, overigens. En zelfs niet moeten aanschuiven voor de douche. Best Kept Secret scoort punten deze ochtend. Oh, is het al middag? Snel dan, want er ligt werk op ons te wachten.

Een zoutloos ontbijt ligt ons niet, maar het is vandaag niet anders. In de Five serveren de drie The Courtneys een futloos zootje meidenpop dat vage herinneringen oproept aan de jaren negentig, en hoe dat toen allemaal beter werd gedaan. Jen Twynn Payne is Kim Deal, noch Louise Post van Veruca Salt en met een flets stemmetje hamert ze al zingend een eind weg, maar elke man weet: je kunt geen twee dingen goed doen. Ook haar drumwerk is het soort slaapverwekkend doorsnee dat de songs enkel maar verder de miserie in helpt. Miserie? Heeft iemand anders nog wat halfslachtigheid troef?

Neen, geef ons dan maar de breedbeeldklank van Kim Janssen, die met veel zin voor consequentie op deze Arcade Firedag werd geprogrammeerd. Drie blazers en evenveel strijkers in de rug helpen de Nederlandse songsmid aan Sufjan Stevensachtige grandeur, de prachtige americanasongs bracht hij zelf mee. Hij vertelt over de dagelijkse aardbevingtraining in het Nepal waar hij opgroeide, en hoe dat wachten enkel maar deed verlangen tot die natuurramp dan toch eens zou losbarsten. Het bescheiden orkest rond hem laat het nummer zachtjes opbloeien, met een Nationalachtige hoorn-en-sourdine, en hamerende pianootjes. Het is het beste wat we in jaren uit Nederland, nooit echt de hoofdstad van de rock-‘n-roll, hoorden. Een collectieve buiging wordt dan ook gepast beantwoord met een stormachtig applaus. Kim Janssen heeft zieltjes gewonnen vandaag, en dat is niet meer dan terecht.

En dan mogen de gitaren het overnemen. Eerst nog beleefd met een Circa Waves dat zoals steeds aan proper rammelen doet. Dat is onzin, natuurlijk: rammelen doe je niet met twee woorden, en dus missen we al snel wat pit bij songs als “Lost It” en “Fossils”. Als we halverwege ook nog dertig seconden lang aan Phoenix’ “Lisztomania” moeten denken, is het kalf echt wel verdronken. Geef onze portie maar aan fikkie, wij halen iets snediger uit de geluidsmuur.

Een Cloud Nothings, dus, dat begint op de stand “Alles Kapot”. Aan een rotvaart jakkeren Dylan Baldi en band zich door “Modern Act”, “Fall In” en “Psychic Trauma”. De scheur in de stem is die van Cobain, de drums mokeren, en als bassist TJ Duke straks geen lamme duim heeft, weten we het ook niet meer. Cloud Nothings brengt opwinding in de tent, en dat is op dit festival meer dan welkom. Garagerock genoeg, maar goeie potige punksongs konden we beter gebruiken. Slechts één keer wordt gas teruggenomen, met een slepend “Realize My Fate”, vooraleer het gaspedaal een laatste keer ingaat. Baldi neemt “Wasted Days”, jaagt het tot voor Cerberus, legt de boel even stil, om het vervolgens voorbij de hellepoorten te sleuren met een woeste storm distortion en beukende drums. Chaos. Noise. Energie. “Thanks, I feel like I’m in Led Zeppelin”, bedankt de frontman, maar wij moeten opnieuw een beetje denken aan Nirvana. We zijn zover nog niet, maar dichter is een band nog niet geraakt.

Nog beter, vijfhonderd meter verder: Mitski. Ongenaakbaar bijt, klauwt en snauwt de Amerikaanse haar melodramatische teksten, onderwijl met haar bas de gitaar en drum aanvurend. Die zorgen dan maar voor een gruizige ondergrond bij haar bozemeisjesdagboekteksten, bang om voor méér woeste tirades te zorgen. “Somebody please tell me no” pleit ze in in “Thursday Girl”, een song later klinkt “Your Best American Girl” helemaal spinnijdig. En dat lijkt vooral onze schuld. Nauwelijks gunt ze ons een blik, we mogen al blij zijn dat we mogen luisteren; die houding. Het doet denken aan de afstandelijkheid en de woede van de prille PJ Harvey, Mitski heeft een persoonlijkheid die even hard intrigeert. Wanneer ze in “Drunk Walk Home” het cliché “Fuck you and your money” dropt, voel je dat ze het meent, en het wordt er niet beter op. Haar band mag finaal beschikken, de laatste nummers brengt ze zelf op gitaar. Boos, bozer, “My Body’s Made Of Crushed Little Stars”: “Would you kill me?” krijst Mitski terwijl ze haar snaren geselt. Wij denken er nog niet aan; een artieste als zij willen we nog lang koesteren.

Blij als een kind is hij. Sinds vrijdag heeft George Ezra een nieuwe single uit, en drie jaar na die eerste keer staat hij opnieuw op de One,klaar om de opvolger van zijn debuut uit te brengen. Wordt dat iets? Voor mensen die Milow spannend vinden: ongetwijfeld. Voor de rest: mwah. Na “Budapest” en “Amsterdam” krijgen we Barcelona – omdat iemand Sufjans onhaalbare statenproject van een realistisch Europees alternatief moet voorzien – en dat blijkt helaas een suf kutnummer te zijn: singersongwriterij van de meligste stoort. Het kan erger. “Pretty Shiny People” wordt ingeleid met de revelatie die Ezra ooit kreeg dat “niemand weet waar hij mee bezig is, en we allemaal maar ons best doen.” “We’re alright together” doet het meezingrefrein, en naast ons mompelt de Koningin van het Understatement “Toch een beetje cheesy, niet?”. Jawel, en zelfs al is het bij deze ondergaande zon hoogst charmant, George Ezra gaat nooit een deuk slaan in het pakje boter van de muziekgeschiedenis.

Of Cigarettes After Sex dat wél zal doen, met nog blijken, maar de hype heeft Greg Gonzalez toch aan zijn gat hangen. Exact twee jaar na het verscheiden van Duyster wordt het radioprogramma nog node gemist, en de Three zit dan ook afgeladen vol. Gonzalez geeft het publiek waar voor zijn geld, en overtuigt met een ingetogen set die alle festivalgedruis even tot stilstand brengt. Het is bijna akelig perfect hoe songs als “K.” en “Each Time You Fall In Love” klinken, en je vraagt je af wat het precies is dat deze band zo heeft doen klikken. Antwoord: ijzersterke melodieën die zich aan dat stapvoetse tempo onder je huid boren, rinkelende gitaren die momentjes van schoonheid scheppen. We mogen helaas niet al te lang blijven mijmeren in deze kleine oase van rust, het is tijd voor de kers op de taart.

Als je telkens flink wat jaren wegblijft, wordt elke plaat een evenement; die les heeft Arcade Fire al snel geleerd, en dus wordt ook nu weer reikhalzend uitgekeken naar dat Everything Now , dat er eind juli zit aan te komen. Net als in 2010, toen hetzelfde scenario voor The Suburbs gold, wordt vandaag echter nog niet veel onthuld. Goed, de feestelijke discosingle “Everything Now”, met zijn ABBA-piano en cheesy panfluitsolo, zit vroeg in de set na een uitbundig openend “Wake Up”, maar daarmee moeten we het aanvankelijk stellen. Liever neemt de band eerst even gas terug met “Windowsill” en “Neon Bible”. Fan favorites, dat wel, maar niet de beste songs om een publiek op te zwepen.

“Here Comes The Nighttime”, zoals steeds ingeleid met een brok kletterende percussie, zorgt voor een kort uptempo moment, maar zoals steeds vertraagt dat nummer meteen naar een ongemakkelijk limbo-dansritme dat de vaart er weer uit haalt. En ook “The Suburbs” is een nog eerder teder, ingetogen momentje. Je voelt dat het publiek, net als wij, zich op dat moment in het haar krabt: waar wil de band naar toe? Waar staat Arcade Fire anno 2017 voor? Je vermoedt in die bedrijfskloffies met het “Everything Now”-logo een nieuw concept, dat de plaat zal kleuren, maar hoe dat zit wordt nog niet duidelijk. Een beetje mysterie kan als marketing nooit kwaad, natuurlijk.

Wanneer snaredrums als zweepslagen knallen is die periode van twijfel voorbij. Arcade Fire is “Ready To Start”, en met dat gelijknamige nummer begint een feest der herkenning dat niet meer zal ophouden. “Neighbourhood #1 (Tunnels)” zorgt voor een eerste momentje magie, tientallen koppeltjes die hand in hand meezingen “I’ll dig a tunnel from my window to yours”. Ook dertien jaar na het verschijnen van dat debuut werkt de jeugdige romantiek van debuut Funeral als niets anders. Régine Chassagne pakt de euforie in handen, en kneedt ze in “Sprawl II (Mountains Beyond Mountains)” tot haar eigen wordingsverhaal: “They heard me singing and told me to stop / Quit these pretentious things and just punch the clock”. We weten allemaal wat het geworden is, want vandaag staat ze daar, met haar cheerleaderlinten en fluogroene armbanden, terwijl manlief Win Butler voor één keer van aan de zijkant toekijkt.

Wat toen, ten tijde van The Suburbs een eerste uitstapje op dansterrein was, is nu de norm geworden: sinds Reflektor is Arcade Fire een dansende groep geworden, die de discobeat niet schuwt, en funk als accessoire heeft geperfectioneerd. “Reflektor” zelf is zeven minuten heerlijke discopunk die altijd een beetje aan David Bowie zal doen denken, het nieuwe “Signs Of Life” laat horen dat Everything Now waarschijnlijk verder die weg zal ingaan. Het klinkt als Talking Heads die de invloeden uit Nigeriaanse seventiesdisco met zijn blanke hoekigheid heeft versmolten, en ook het vrijdag geloste “Creature Comfort” danst potent verder. Smeer die benen tegen augustus maar in: de nieuwe Arcade Fire wordt eentje voor feestjes.

Zo eindigt het ook, in een eindspurt waarin Win Butler LBGT-anthem “We Exist” nog even aankondigt met “Liefde is een mensenrecht. Vertel het je vrienden in Amerika vooral”. Daarna mag het dak er af. “Neighbourhood #3 (Power Out)” ontploft, het afsluitende “Rebellion (Lies)” hamert en davert tot er echt geen “aaah aaah” meer bij kan. Wat kan hierna nog als bisnummer? Niets meer, toch?

Toch. Had iemand er op gerekend “Intervention” nog eens te horen? Voor een zeldzame keer komt de band terug, om die heerlijke protestsong uit het Bushtijdperk nog eens boven te halen. Begrijpelijk. In deze Trumptijden is elk strijdlied belangrijk, en ook al dansend wil Arcade Fire de vinger op de wonde blijven leggen. Elke strofe stijgt de urgentie een beetje, elk refrein, elke roffel voelt weer wat intenser. Ten langen leste kruipt Will Butler met zijn trommel de stellage in, hamert tot alles kapot is. Want alleen wie strijdt, zal overwinnen. Arcade Fire vocht vandaag als leeuwen, en gaf een levensbevestigend concert dat misschien wel tot hun drie beste op Belgische – euh, Nederlandse – bodem behoort. Benieuwd of Radiohead hier morgen over kan. Gelooft Thom Yorke in levens bevestigen, of wordt het toch treuren en grienen? Miserabelisme is easy? We zien het morgen.


Dag Drie

Dag drie. De dag waarop je beseft dat het geld op is. Niet alleen bij ons, ook bij de organisatie. Straks staat Radiohead daar, jaja, maar waar was het budget voor een beetje degelijke programmering vooraf? Hier is wat we met veel krabben bij elkaar kregen:

21 geworden gisteren, de schattigste diva vandaag. Ooit was Aurora het Noorse antwoord op Florence + The Machine, vandaag denkt alles in ons “Eurosong”. Bombastische gated drums? Check. Dramatische uithalen? Dubbel check. Armchoreografieën om zeeziek van te worden? Zo is ze geboren, als we haar vroege concerten mogen geloven. Wat ontbreekt: songs die op dat glitterpodium ook een overwinning garanderen. Goed, “Warriors” is dik ok, “Under Stars” passabel, maar meer wel dan niet is een nummer niet meer dan een vehikel voor dramatische tics en oeverloze bombast.

Wanneer de jonge deerne beseft dat haar kimono-achtige outfit haar gegarandeerd de Barbara Dexaward oplevert, dist ze een warrig verhaal over verloren bagage op. “Dit is mijn ochtendjas”, kirt ze. “Veel te warm. My butt is so sweaty, right now.” Ok dan, lieverd, tmi. Anders nog een liedje? Uiteindelijk krijgen we de keuze: wordt het “Running With Wolves” of “Conqueror”? Dat krijg je met al dat babbelen, beseft ze zelf. Het publiek kiest met veel nadruk voor het eerste nummer, alweer bombast van de aandoenlijkste soort. Allercharmantst, deze Aurora, maar om Florence naar de kroon te steken zal deze meid nog veel boterhammen moeten eten.

Van het liefste meisje van het festival (neen Mitski, deze trofee is niet voor jou) naar het andere uiterste. Ergens kreeg de Zwitserse Amerikaan Manuel Gagneux het bezopen idee om gospel en slavenzang met black metal te vermengen, een platenfirma was zo gek dat debuut van Zeal And Ardour ook uit te brengen. Hebben we dat weer aan onze fietsbel hangen: stoere vikingen die het ene moment zwarte samenzang emuleren, het volgende moment een salvo blastbeats en gierende gitaren door de boxen sturen. Het heeft een hoog what-the-fuckgehalte, maar het werkt ook, zelfs wanneer de gezangen plots gregoriaans Latijn blijken. Raar. Onderweg opnieuw de karaokebar op Tokyo Hill moeten aan horen, waar het gaat van “ik heb getwijfeld over België”. Niet meer doen jongens, het is te laat: BKS is van ons.

Reünie van het jaar: Arab Strap. Neen, serieus: reünie van het jaar. In de Two staan Aidan Moffat en Malcolm Middleton alsof er geen tien jaar is verstreken. De verhalen van Moffat klinken nog altijd even onverstaanbaar Schots en scheef, de muziek is zoals altijd Mogwai, maar dan zonder Big Muffpedaal: nu eens idyllische pianomuziek, dan weer een beat er onder, en af en toe – omdat dat zomaar kan hier – een fikse gitaaruitbarsting op zijn postrocks. Uitsmijter “The First Big Weekend”, een herwerking van hun debuutsingle, is de dot van een kers op een taart die “welkom terug” spelt. Fijn concert. En dat is meer dan we kunnen zeggen van een Cass McCombs die een halve kilometer verder zijn eigen oeuvre de vernieling in pielt. Zo oeverloos duurt elk nummer dat we minstens drie keer over een gitaarfreakout “Shiiiine on, you craaazy diamond” willen gaan brullen, en zelfs sterkhouder “County Line” gaat zo compleet de vernieling in. Tja, vorm zelf een zin met de woorden “Ruiten”, “Eigen” en “In”, want iemand tikt ons hier op de schouder dat er dringend meer concerten te bezoeken zijn. Werkdruk, het is een ding op festivals.

Boem! “Jaa!” Boem! “Jaa!”. Dat een gitaarriff wordt meegezongen, we hebben het al meerdere keren meegemaakt, drumkletsen die worden meegebruld? That’s a first. Dat Soulwax van bij die eerste klappen van Blake Davies een open doekje krijgt, is duidelijk, en dan moeten die twee andere drummers er nog bij komen. Wanneer de gordijntjes vallen, en Igor Cavalera en Victoria Smith ook achter hun percussie plaatsnemen, barst het geweld los, samen te vatten als: het betere kot-afbreken. David Dewaele laat de synths pruttelen, Stephen mompelt wat in zijn microfoon dat klinkt als “Do you wanna feel in control?”, en we weten dus dat we in “Do You Want To Get Into Trouble?” zitten. Maakt niet uit, dit is één lang feestje waarin aparte songs niet belangrijk zijn. De drums wel. Die drie live bestreelde, behamderde en bebeukte trommelstellen zorgen voor het opzwepen, waarover de rest van de band zijn ding maar heeft te doen. Een kwartier ver staat de tent al uitzinnig te juichen en te dansen. Single “Missing Wires” moet dan nog losbarsten, de danteske taferelen tijden slotduo “E Talking”/”NY Excuse” besparen we u uit ethische overwegingen. Soulwax was vandaag vernietigend, en liet enkel verschroeide aarde na. Kan geen kwaad: daar groeit veel op.

Eerst “Exit Music (For A Film)”, dan “Bodysnatchers”, en dan weer terug naar “Let Down”. Zeggen dat Radiohead zigzagt is de waarheid geweld aandoen. Thom Yorke en co ontpopten zich op Best Kept Secret zo hard in het betere bochtenwerk, dat het op schizofrenie begon te lijken. Sowieso wrong het al, voor een band die zich zo hard van zijn verleden heeft afgekeerd, dat de twintigste verjaardag van OK Computer nu zo uitbundig wordt gevierd. Maar dat gebeurt vandaag, met een flinke greep uit die laatste plaat van voor het Kid A-tijdperk.

Het is meteen ook een mooie manier om te horen hoe Radiohead zijn zin voor melodie kwijtraakte. In “Climbing Up The Walls” hoor je wat zou volgen al voorafgeschaduwd, maar het is nog claustrofobie in popvorm. “All I Need”, meteen erna, is hetzelfde, maar dan verworden tot solipsistisch gemompel. Zoals te vaak op recente platen, is Radiohead zelfs op deze achteruitkijktour nog steeds erg naar binnengekeerd, met een Thom Yorke die het publiek nauwelijks een woord gunt, en een knappe maar afstandelijke lichtshow die de band herleidt tot kleine poppetjes in de schaduw.

Het voelt bijna autistisch hoe de groep weigert naar buiten te kijken, op zijn eiland aan het priegelen is. Met drie recente tracks begin het ook niet uitnodigend. “Daydreaming” is iele pianomuziek, “Desert Island Disk” en het op krautrock drijvende “Ful Stop” zegt ook al niet met een breed armgebaar “Wees welkom, zet u!”. Het is schrikken dus, als het wel werkt. Dat een “Everything In Its Right Place” mag dansen, en kletterende ketelpercusie meekrijgt, of dat “Idioteque” plots stopt voor een bizarre ravetechnobreak.

En dus ook die oude tracks. Als Yorke “Exit Music” nauwelijks hoorbaar alleen inzet met zijn akoestische gitaar, kun je her en der een speld horen vallen. Machtig laat de band het openbloeien. Kunnen weiden huiskamers zijn? We betreuren het bestaan van Coldplay, dat met deze formule aan de haal ging, want misschien was de band anders wel op dit pad gebleven. Nu krijgen we meteen erna een zenuwachtig “Bodysnatchers”, met een Jonny Greenwood die wild molenwiekend zijn gitaar molesteert.

Dat blijven hinken op twee gedachten duurt verder in de bisrondes. Alsof er twee Radioheads afwisselend staan te spelen, krijgen we dan “Nude” en “Reckoner”, maar ook “Paranoid Android”. Dat voelt van moeten, met een Yorke die niet écht voluit gaat. “Let Down” — wanneer hebben we dàt live nog eens te horen gekregen? — zorgt echter voor magie. En dan is het plots snel voorbij, met een korte bisronde die abrupt eindigt na een sterk “There There”. Geen “Karma Police”-meezingmoment, zoals elders, enkel het zwarte gat van de stilte, en veel verwarde fans. Als één band tegendraads genoeg is om niet voor de betovering van Best Kept Secret te vallen, dan wel deze: géén speciallekes, maar minder dan elders. Het tekent een band die van eigenzinnigheid zo’n ding maakt dat het op rabiate koppigheid begint te lijken, op dwarsliggen om lastig te doen. Dat heeft mooie en invloedrijke momenten opgeleverd — het Alt-J dat hier twee jaar geleden indrukwekkend afsloot, is ontegensprekelijk schatplichtig aan de latere Radiohead — maar die moedwillige taaiheid kan ook al eens vermoeien. Zondagavond klonk Radiohead als een band die eigenlijk liefst van al op zichzelf in het repetitiehok wat zou blijven pielen, zonder de bekommernis een publiek te moeten onderhouden.

Best Kept Secret heeft zijn Radiohead wel eindelijk op de affiche gehad en kreeg met Arcade Fire een tweede en nog mooiere kers op de taart. Op naar de volgende vijf jaar dus, die blijkbaar iets vroeger in juni zal vallen als we op de aangekondigde data voor 2018 mogen afgaan. Wat ons betreft, mag het festival nu wel stoppen met groeien en misschien opnieuw wat inkrimpen. 25.000 man voelde op dit terrein als vijfduizend te veel en dat het grote geld naar enkele — voor dit festival — patserige headliners was gegaan, had duidelijk ook zijn weerslag op de affiche die in de diepte wat bloedarmoede toonde en middenklassers als een Dead Cab For Cutie, Modest Mouse of Ariel Pink ontbeerde. Over de randanimatie verder anders niets dan lof: de uitbreiding van de foodline-up werd gesmaakt, geen kwaad woord over de rockkeet The Casbah en Tokyo Hill was een fijne nieuwe plek om te hangen. Maar die karaoke? Laat dat alstublieft bij die ene keer blijven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in