DESVIO – Mostra de Jazzes na Parede :: 2 – 4 juni, SMUP (Parede, Portugal)

We hebben eigenlijk geen reden meer nodig om naar Portugal te gaan, maar na onze artikelenreeks van vorig jaar voelde het haast aan als een uitdaging. Zo, rare Belg, eat this. Het leidde tot een nieuwe reeks en een tripje naar Lissabon, waar een groot deel van de hedendaagse Portugese jazz- en improvisatiescene present tekende voor een driedaagse weelde.

Of eigenlijk: het festival vond plaats in het kleine strandplaatsje Parade (een prachtige kusttreinrit van Lissabon verwijderd), waar Pedro Costa van Clean Feed een onderkomen vond in SMUP (Sociedade Musical União Paredense), een voormalig fanfarelokaal dat opgelapt werd en in geen tijd uitgegroeid is tot een van de belangrijkste plaatsen voor geïmproviseerde muziek in Portugal. De ruime concertzaal beneden wordt eveneens gebruikt als sportlokaal (badmintonnen of pingpongen tussen de concerten was dus een optie), en boven de bar van het eerste verdiep, vind je het gerenoveerde, gezellige zolderlokaal, waar regelmatig de groten van de improvisatie passeren in een meer intimistische setting. Uiteindelijk zagen we er dertien concerten op drie avonden, acht op zolder en vijf in de concertzaal, waarbij je vier keer samen met de band op het podium kon gaan zitten, en de grote zaal eigenlijk enkel voor het slotconcert helemaal gebruikt werd.

Donderdag 2 juni

Elke dag viel er een soloconcert te horen en op donderdag was het gitarist en visueel artiest Filipe Felizardo die de spits kwam afbijten. Dat deed hij met een set die regelmatig herinnerde aan de muziek op zijn album Guitar Soli For The Moa And The Frog (2012), dat een paar jaar geleden de eerste release was van Shhpuma, het sublabel van Clean Feed. Dat betekent: muziek die zowel met een been in de nacht als in de woestijn stond. Felizardo speelde met een vette twang waar een dikke laag distortion op zat, waardoor die beelden suggereerde van een geërodeerde prairie, maar ook van een pikzwarte nacht. Het geluid vloeide uit wat op een zelfgemaakte versterker leek met een grove korrel die herinnerde aan Neil Young, maar hier en daar zelfs neigde naar de lage frequenties van een Boris of SunnO))), toen die in de weer waren met Jesse Sykes.

Felizardo speelde zo met meanderende, roestige stukken die regelmatig uitmondden in massieve feedbackgolven en vooral uitblonken in een verweerde spaarzaamheid, die een beetje herinnerde aan het solowerk van Steve Von Till en Scott Kelly, maar net zo goed gebruikt zou kunnen worden als begeleiding bij Von Stroheims Greed, of een andere tergend trage film over ontbering en geweld. Hier en daar kregen de jams iets van de psychedelische grooves van Bardo Pond, maar Felizardo bleef vooral z’n eigen ding doen, waardoor het aanvoelde alsof de vooravond plots opgeslorpt werd door een sinister zwart gat. Veel verrassender kan je zo’n moeilijk op gang trekken.

Hugo Carvalhais stond ook al een hele tijd op ons verlanglijstje. De vanuit Porto opererende bassist heeft met drie ijzersterke albums een heel eigen stekje gevonden binnen de Portugese improvisatie. Was zijn debuutalbum Nebulosa (2010) eigenlijk al opvallend, ook omdat hij saxgrootheid Tim Berne had weten te strikken, dan gingen Particula (2012) en Grand Valis (2015) nog veel eigenzinniger oorden uit: die platen baadden in elektronica en staken vol referenties naar sci-fi-romans, wat zich ook vertaalde in vaak mysterieuze, maar altijd eigenzinnige muziek die onmogelijk te labelen viel. Voor dit concert met zijn Nebulosa Trio greep Carvalhais terug naar de aanpak van dat eerste album, met drummer Mário Costa en sopraansaxofonist Emile Parisien in plaats van Berne.

Het werd een geslaagd en veelzijdig concert, dat de synergie van de ritmesectie erg knap in de verf zette en het meesterschap van Parisien ten volle kon uitspelen. Die speelde in sommige passages met een ziedende overgave, heen en weer wiegend als een kat op zoek naar een prooi, het been regelmatig alle kanten uit zwengelend, terwijl hij de saxacrobatieën met een onaflatende intensiteit uitspuwde. Het was een technisch hoogstandje, overrompelend in z’n fysieke kracht, en het zou misschien zelfs wat veel van het goede geweest zijn, ware het niet dat Carvalhais de stukken en solo’s mooi wist te spreiden. Een eigen solomoment zette zo in op een meer fragiele lyriek, terwijl Costa misschien tekende voor de meest indrukwekkende passage in een stuk dat geïnspireerd werd door Philip K. Dicks The Three Stigmata Of Palmer Eldritch, waarin Parisien een meer bedeesde aanpak hanteerde en het trio op een meer lyrische koers belandde. En ook dat klonk erg goed.

Tenorsaxofonist Pedro Sousa, die we vorig jaar ook zagen als deelnemer in Luís Lopes’ Lisbon Freedom Unit, en regelmatig opduikt in formaties met drummer Gabriel Ferrandini (zoals Casa Futuro), kreeg de eer om twee concerten na elkaar te spelen. Een rationeel mens zou er dan rekening mee houden en zijn inspanning een beetje doseren, maar niet zo bij Sousa. In zijn eerste performance, met drummer Afonso Simões, actief binnen de rock, maar ook een frequente speelpartner van o.m. Manuel Mota en David Maranha, en cellist Miguel Mira, deed hij er amper het zwijgen toe. Er speelden bij dit trio een paar opvallende contrasten, zoals de eerder ingetogen stijl en gestage intensifiëring van Simões en het heftige, zeer beweeglijke spel van Mira, waardoor Sousa eigenlijk in een zetel kon plaatsnemen.

Dat deed hij niet. In plaats daarvan sputterde hij een eindje weg, met een stijl die een opvallende verwantschap vertoonde aan enkele Britse iconen van de improvisatie, en Evan Parker in het bijzonder. Hij is daarbij niet de man van het grote geweld of het gratuite blazen, maar de inspanning die geleverd werd, verdiende niettemin een medaille voor inzet, al had die ook als keerzijde dat het door die relatief nauwe speelzone en het onophoudelijke spelen ook ging vragen om een rustmoment. Dat het trio de set kort hield, was dus een goede keuze. Daarna zou het concert van het Gabriel Ferrandini Trio, met opnieuw Pedro Sousa en bassist Hernâni Faustino, een meer ‘akoestische’ (i.e. ingetogen, vermoeden we) bedoening worden, maar daar kwam niet veel van in huis.

Met een man als Ferrandini achter de drumkit kan er immers geen sprake zijn van stilstand. De jonge drummer heeft zich het voorbije decennium ontpopt tot een van de sterkhouders van de scene met een stijl die zowel bulkt van de details en het gebruik van allerhande attributen, als met een polyritmische zwier die rechtstreeks overgewaaid komt uit de aanloop naar de vroege freejazz. Rollen kan die muziek dan wel doen, maar zachtjes het gehoorkanaal inschuiven zit er niet meer bij. En deze trioset werd dan ook wat grilliger, wat ‘opener’ dan die ervoor, met een bredere dynamiek en andere intensiteit, waarbij Faustino de ideale man was om het geweld aan beide zijden in goede banen te stuwen. Sousa doseerde hier iets meer (vermoedelijk omdat de leider het boeltje regelmatig zelf bij elkaar kletterde) en wat vooral opviel was het gebruik van korte, thematische motieven, die regelmatig opdoken in de kop en de staart van de improvisaties. Soms leken die meer op een vast, onafwendbaar element dan een logisch uitvloeisel van het geïmproviseerde verkeer ertussen, maar daar vielen wel volop momenten te rapen van interactie op het scherp van de snede.

Vrijdag 3 juni

Ook Pedro Lopes zagen we een hele tijd geleden al deel uitmaken van Luis Lopes’ Lisbon Freedom Unit, maar terwijl zijn markante spel toen ingebed was in een soms voluptueuze totaalsound, kwam die nu pas volledig tot zijn recht. Wat de jonge muzikant uithaalde tartte bij momenten de verbeelding en groeide uit tot een van de meest memorabele performances van het festival. Lopes’ twee voornaamste instrumenten zijn twee platendraaiers. En die gebruikt hij niet zomaar om plaatjes mee te draaien, maar wendt hij aan voor een onophoudelijke klankenbricolage door maximale inzet van de naalden. Vanaf de eerste minuut draaide het om een pure manipulatie. Daar kwam wel vinyl aan te pas (zo leek er even een trein te passeren langs de concertzaal), maar het zwarte goud stond niet centraal, integendeel.

Lopes bracht onderaards gerommel voort door met de platendraaiers te schudden, en speelde vervolgens een eclectisch spel met pitch, contacten, snellere en tragere bewegingen, het aan- en uitzetten van de platendraaiers. Hij demonteerde de platendraaier, legde er tamboerijnen op, creëerde een rammelende, stokkende, bonkende en suizende symfonie die aanvoelde als een uit z’n voegen barstende percussieshow. Wat bij momenten iets had van een geschifte cut & paste-oefening, was in werkelijkheid een performance die voortdurend in beweging bleef: knopjes werden verschoven, vinyl werd gewisseld, attributen (stokjes, metalen schijfjes,…) beïnvloedden de toonarm, voerden de naalden naar een epische spraakverwarring. Het was te abstract en onvoorspelbaar om aan het dansen te gaan, maar de kerel slaagde erin om bijna veertig minuten lang te boeien en enkele keren te verbluffen door het materiaal volledig centraal te stellen en er zelfs een melancholische draai aan te geven. Straf, heel straf.

Rietblazer José Bruno Parrinha, gitarist Luís Lopes en cellist Riccardo Jacinto brachten zopas nog Garden uit, een geluidsonderzoek waarin het een hele tijd verdwalen was, en dat met soms erg donkere en verwarrende resultaten. Terwijl Garden hier en daar uitpakte met een enorme densiteit en een versmachtend volume, verschoof die aanpak een beetje met dit concert, dat langer bleef rondhangen in een meer ingetogen zone, op een lager vuurtje. Al maakte dat het niet minder interessant. Het ging alleszins erg bedeesd van start, met een altsax waar amper waarneembaar lucht aan ontsnapte, een cello die dienst deed als percussie-instrument, en een gitaar die subtiel gestreken werd met een strijkstok. Het was een fluisterende parade van ongewoon geluid, waarbij elk instrument uit z’n traditionele rol gehaald werd.

Er zaten een paar drone-achtige momenten in verstopt, maar een netjes gestroomlijnde, homogene vloed was het nu ook weer niet. Daarvoor gingen de muzikanten net iets te expressief te werk, kwamen er al snel vette schraapgeluiden aan te pas, wentelde de sax met nu en dan een kreet. Het volume nam gestaag toe, maar toch bleef de speelzone klein, intimistisch bijna. De gitaar kreeg even de weidse twang van de woestijn, het geheel plooide terug in een meditatieve zone waar de klarinet even alleen in rondwaarde. Terwijl Jacinto streek met een verrassende energie, nog eens aangezet met elektronische effecten, bewerkt Lopes de snaren met staalwol of zijn metalen potje. Heel even sloeg het vaag sinistere universum aan het knetteren, maar het was van korte duur, want na amper dertig minuten hield het trio er al mee op. De verkende zone was aanzienlijk kleiner dan op het album, maar klonk hier inniger en iets geruststellender en vooral: het traject intrigeerde voor de volledige duur.

Vervolgens: een behoorlijk grote stijlbreuk. Werd er met het vorige trio nog rondgehangen in oorden die geen uitstaans hebben met jazz, dan voer het kwintet onder leiding van de jonge bassist Joao Hasselberg een meer traditionele koers. Die bracht een jaar of drie geleden zijn voorlopig enige album als leider uit, Whatever It Is You’re Seeking Won’t Come In The Form You’re Expecting, waarvoor hij o.m. ook de toen nog piepjonge Ricardo Toscano inschakelde. Deze keer stond hij er met een pianist (Luis Figueiredo), drummer (Bruno Pedroso), trompettist (Diogo Duque) en zangeres (Beatriz Pessoa), waarbij die laatste twee leken te fungeren als gasten, die er ook niet elke keer bij waren. Het kwintet speelde met bladmuziek en zette voor een groot stuk van zijn set in op een zachtaardige, lyrische sound.

Wat niet wil zeggen dat het niet de moeite was, want de twee ‘miniaturen’ die vooraan en achteraan de set gespeeld werden baadden in een stijlvolle elegantie, terwijl andere composities een breder terrein besloegen. Wat begon als een ballade (“Sisyphus’ Back Pain”?) kreeg gaandeweg een kloekere strompelgang, waar de zang van Pessoa als een sirene doorheen waaide. In het erop volgende stuk, “Tell me About The Rabbits, George” (een verwijzing naar Steinbecks Of Mice And Men) kreeg het een iets sterkere puls, bleven de muzikanten strak bij elkaar en werd geflirt met de pop. Opvallend was vooral ook dat de band in zijn meest lyrische momenten uitpakte met een haast minimalistische romantiek die, meer nog dan aan de Portugese jazz, vooral verwant leek aan het filmische werk van de Belg Jan Swerts. Mooie mijmermuziek en een welgekomen afwisseling tussen het experimentele geweld.

Het was intussen de zesde keer dat we het Rodrigo Amado Motion Trio aan het werk zagen, een band die intussen is uitgegroeid tot een van de centrale spelers van de Portugese improvisatie. De band maakt zich intussen klaar voor de release van zijn zesde album, weliswaar nog maar de tweede als trio (ze brachten zowel met trombonist Jeb Bishop als met trompettist Peter Evans twee albums uit). En snel wordt ook duidelijk dat saxofonist Amado, cellist Miguel Mira en drummer Gabriel Ferrandini intussen een manier van communiceren hebben die je niet zomaar klaarspeelt door wat talenten bij elkaar te zetten. Dit is een echte band die intussen compleet op elkaar ingespeeld is, slechts een hint nodig heeft om iets te begrijpen en vervolgens een stroom van interactieve ideeën laat vloeien. Zagen we hen in het verleden al een paar keer uitpakken met een behoorlijk krachtig verkeer, dan werden die momenten nu ook ingelast, maar leek het meer te gaan om een golvende beweging in de lijn van hun concert in De Singer.

Her en der werden een paar energieke pieken neergelegd, wat meteen op enthousiaste kreten uit het publiek kon rekenen, maar het trio bleef ook regelmatig op een soort tussenplatform hangen, waar de interactie volledig binnenstebuiten gekeerd werd, met het oog op een maximale verkenning in de diepte. Centraal was natuurlijk ook de rol van Ferrandini, die in een fase zit waarin hij voortdurend in de weer is met attributen, wat de muziek onvermijdelijk een sterke densiteit en ritmische component geeft. Doorheen een lange improvisatie (ca. 30min) en een korter (een goed kwartier) verkende het trio zo een coherente dynamiek en een intuïtieve flow die zijn handelsmerk geworden is. Daardoor was het niet zozeer een verrassend concert als een hernieuwde kennismaking met die persoonlijke wisselwerking, die uitgevoerd werd met het vertrouwen van een stel muzikanten dat de eerste hordes een hele tijd geleden al genomen heeft en binnen die ‘comfortzone’ op zoek gaat naar nieuwe uitdagingen. Een work-in-progress met een blijvende aantrekkingskracht.

Zaterdag 4 juni

Luís Vicente en Jari Marjamäki lieten meteen horen dat ze zich eerder gingen baseren op de meer drone-georiënteerde stukken van hun duorelease Opacity. De uitgeweken Fin creëerde meteen een omineuze, onder het oppervlak borrelende massa, waar de trompettist vervolgens zijn iele uitschieters en ruis op kon leggen. Het was de start van een dromerige stroom van geluid, die soms wat etherisch klonk, ondanks een aanhoudende cimbaaltik, en waarin soms wat harde plofklanken verschenen en hier en daar wel voelbaar was dat Marjamaki een verleden heeft in de elektronische muziek. Echt abstract of duister werd het nooit, daarvoor speelt de man te graag met geinige ray gun-geluidjes, repetitieve motiefjes of andere ideeën die houvast bieden. Vicente sputterde en spetterde er op los, haalden een hele trukendoos boven, perste lucht, rotzooide met dempers en gooide z’n hele mond in de strijd om vervolgens enkel wat gepiep voor te brengen.

Een paar keer leek het wel alsof het duo werkte met een microscoop en ‘kleine’ details – geslurp, gefladder, ruis, ruwe oppervlakken – die enorm uitvergroot werden, verwerkt werden tot Vespa- klanken of Star Wars-effecten. Maar dan: een ruwe ommekeer, want plots stond gitarist Jasper Stadhouders, die samen met Vicente een tour met Spinifex achter de rug had, erbij en die besloot om het boeltje aan flarden te rukken. Een gouden beslissing, want zijn jachtige geklieder deed het samenspel ontploffen en liet je in geen tijd alle hoeken van de zolder zien. Gitaar en trompet spiegelden elkaars effecten (met een hallucinant resultaat, alsof je van twee kanten onder vuur lag), er werd uitgepakt met schreeuwende feedback, de snaren van de gitaar werden gebruikt voor een energieke stuiptrekking. Stadhouders zorgde voor een kapotscheurende, haast anarchistische ingreep, een machtige combinatie met de oneigenlijke klanken van Vicente en de Nintendoscheten van Marjamaki. Of een prachtvoorbeeld van hoe een extra stem het karakter van een concert (hoe goed het ervoor ook was) compleet op z’n kop kan zetten.

Het trio Lama – bassist/leider Gonçalo Almeida, trompettiste Susana Santos Silva en drummer Greg Smith – is intussen een van de vlaggenschepen van de moderne Portugese jazz en een van de boeiendste working bands van het moment. De bijzondere aantrekkingskracht van het trio is ook dat er regelmatig op het scherp van de snee wordt gespeeld, met verrassende geluiden en wendingen, maar tegelijkertijd wordt vastgehouden aan gecomponeerd materiaal, dat meer dan eens vertrekt vanuit herkenbare, aanstekelijke en/of repetitieve baslijnen. De muziek van Lama biedt houvast, maar kleurt ook regelmatig buiten de lijnen en dat levert soms gouden resultaten op. Er zitten volop solomomenten in, en het kon dus ook gebeuren dat Smith degene was die het concert op gang trapte met een indrukwekkende solo. Stukken bevatten soms uiteenlopende ingrediënten: met open momenten, maar ook abrupte wendingen naar hecht samenspel, vieve versnellingen en subtiele elektronische effecten.

Santos Silva liet zich opnieuw gelden als een veelzijdige trompettist: sterk in abstracte en bedeesde uithoeken, maar soms ook met een glanzende sound, wat meer gepolijst en melodisch dan bvb. die van Vicente. Het leverde meer dan eens erg fraaie, intens melancholische muziek op, die gevolgd werd door elastische uitweidingen, een dansende ritmesectie en luchtspelletjes. Afsluiten gebeurde met een indrukwekkend tweeluik uit het recente The Elephant’s Journey, waarbij het titelnummer piekte met een indrukwekkende drumsolo en “Don Quixote”, waarin Santos Silva even stond te fluiten en de bas van Almeida opnieuw bepalend was voor de herhalingen en de totaalsfeer. Kortom: Lama blijft een band die behendig op het slappe koord tussen traditie en experiment huppelt, met composities die blijven hangen en ingrepen die het verschil maken.

Wat zegt het over een concert als je na afloop eigenlijk vooral naar adem zit te happen? We zaten al een paar jaar te wachten om het RED Trio eens live aan het werk te zien, en toch overtrof dit concert onze verwachten. Met hun recent verschenen Summer Skyshift, een tweede release waarvoor het trio wordt bijgestaan door rietblazer John Butcher,

ontpopte de band zich voor de zoveelste keer tot een van de meest bevlogen en hechte improvisatiebands van Portugal. Ook nu bewandelden pianist Rodrigo Pinheiro, bassist Hernâni Faustino en drummer Gabriel Ferrandini (in zijn derde concert dit festival!) paden die hen voerden langs labyrintische krochten en extatische pieken, waarbij het soms voelde alsof het samenspel van het klassieke pianotrio compleet binnenstebuiten gekeerd werd, muziek een kneedbare massa werd.

Pinheiro is een meester van de dynamiek en cumulatie, dook regelmatig in de pianobuik, was even zelfs in de weer met een eBow, liet zijn handen hoekige bokkesprongen maken, terwijl Faustino scheidsrechter speelde, de ritmische puls vastlegde en net als de pianist kon dienen als platform voor Ferrandini, die zich opnieuw liet kennen als het bastaardzoon van Elvin Jones en Paul Lytton. Luid, energiek en met een enorme polyritmische zwier, maar net zo vaak in de weer met kletterende percussie. Zijn solo, waarbij de stokken over elkaar gewreven werden, schaaltjes gebruikt werden, roffels gekruist werden, rim shots en andere technieken en effecten elkaar opvolgden aan een duizelingwekkende tempo en met eindeloze variaties, was een van dé momenten van het festival. Lange passages bleven zeer minimaal, heel ‘klein’ ook, maar telkens kwam de machine weer op gang, tinkelde de piano plagerig, zochten ze even een drone op, en stak er natuurlijk weer een storm op. Faustino moest het daarbij regelmatig ontgelden, was soms weerloos tussen het geweld van zijn kompanen, maar dat uitbuiten van texturen, ritmes en manipulatie gebeurde met zo’n gretige, gulle dynamiek dat er niets anders op zat dan toekijken met open mond, in het besef dat dit trio tot grootse dingen in staat is. Dit was een bij momenten verpletterende performance.

Ook het derde en laatste soloconcert van het festival ging iets bijzonders worden, dat stond vast. Met trompettist Sei Miguel stond immers een van de meest opvallende figuren van de Portugese jazz en improvisatie op de affiche. Een man die intussen al ruim dertig jaar aan de weg timmert, een groot deel daarvan in een compleet eigen universum. Dat parcours heeft binnen de scene redelijk mythische proporties aangenomen, terwijl de lijst improvisatoren die aan zijn zijde de stiel leerden, intussen enorm is. Zijn albums (en soloconcerten) zijn de laatste jaren eerder schaars en zodra je de man te zien krijgt, begrijp je ook waarom. Miguel oogt anno 2016 opvallend fragiel, is een artiest die intussen ook speelt zoals hij spreekt: traag, breekbaar, bedachtzaam, met lange pauzes. Maar ook met een onmiskenbare poëzie.

Hij zat op een stoel met een pockettrompet en een rode handdoek waarmee hij het instrument tussen de stukken leek te willen boenen. Tegelijkertijd wentelde hij het ding soms rond alsof hij het voor het eerst in handen had, nog moest zoeken hoe er muziek mee te maken viel. De stukken werden bijna allemaal ingeleid door korte verhalen of anekdotes, die vaak teruggrepen naar zijn jeugd, of startten vanuit een herinnering. Er kwam ook wat gortdroge humor aan te pas, want Miguel gaf mee dat hem ooit geleerd was dat een concert beginnen met een nocturne onheil zou brengen, en dus… deed hij dat maar. De stukken waren ingetogen schetsen die vooral opvielen door de afwezigheid van uitschieters of al te abstracte technieken. Miguel zette in op lyriek, soms eens met een vingervlugge spurt, alsof hij even een van zijn helden – Fats Navarro – wilde eren, maar doorgaans meer slepend, als een uitgesponnen meditatie. Hij was hard voor zichzelf, gaf mee dat hij de eerste twee stukken te snel gespeeld had, en daarom zichzelf strafte door eentje te herhalen, maar dat was onnodig. De soloset was fragiel en markant, maar je werd binnengeloodst in een speciale wereld. Hier en daar voelde je de onwennigheid van sommigen, maar we hoorden een overtuigend artistiek statement.

Van de eigenzinnige poëet naar het aanstormende supertalent, wat een sprong. Het slotconcert was meteen ook het concert dat de grote zaal ei zo na deed vollopen. En dat terwijl de jongste en minst ervaren muzikanten van de hele bende op het podium stonden. Alhoewel: de naam van de eenentwintigjarige Ricardo Toscano doet in Portugal intussen al enkele jaren de ronde en het lijkt een zekerheid dat de altsaxofonist nog potten gaat breken. Als we het goed hebben, heeft hij voorlopig nog geen release uit als leider, maar hij was wel al te horen op werk van João Hasselberg en onlangs ook op het nieuwe album van LUME. Tegelijkertijd valt hij te horen in uiteenlopende live-contexten, met spelers uit de mainstream en sommigen die eerder in de marge te situeren zijn, al zit hij met zijn Quartet eerder op het spoor van de traditie.

En Toscano maakt meteen duidelijk dat hij zijn klassiekers kent, want aftrappen gebeurt met de opwaartse aanzet van John Coltrane’s “Dearly Beloved”. Meteen een statement van formaat, want je moet er maar de ballen voor hebben om meteen in het werk te duiken van een van de meest bejubelde artiesten uit de jazzgeschiedenis. Het zou echter geen fixatie blijken doorheen het hele concert, dat opengetrokken werd in de breedte en waarin je ook andere invloeden voelde. Hier en daar waren er een paar furieuze lijnen die leken te verwijzen naar Charlie Parker, terwijl andere passages dan weer de geest van Sonny Rollins of Stan Getz in zich droegen. De band speelde erg solide, technisch competent en kreeg het publiek moeiteloos op zijn hand. Het was ook een prima performance, ook al maakte je je de bedenking dat het de band – om voor de hand liggende redenen – nog ontbrak aan maturiteit en karakter. Dat het gros van de artiesten op het festival muziek speelde die een stuk radicaler en persoonlijker was, en vaak het resultaat van een jarenlang proces van leren, droeg daar natuurlijk toe bij. Maar dat is slechts een kwestie van tijd: Toscano & co. zullen enkel nog groeien, en wie weet krijgen we ooit de kans om te zeggen dat we die klepper daar aan het werk zagen toen hij aan het begin stond van een glorieuze carrière.

Het was meteen ook een fraai einde van een festival dat doorheen dertien concerten een erg divers beeld schilderde van de hedendaagse Portugese jazz- en improvisatiescene, waarin alle uitersten aan bod kwamen – van vrij verkeer tot hechte composities, van technisch stuntwerk tot abstracte texturen -, maar waarbij vooral ook duidelijk werd dat het hen niet ontbreekt aan opvallende persoonlijkheden, ondanks de vaak ingetogen en bescheiden temperamenten. Kortom: DESVIO was alles wat we ervan verwachten: drie avonden onderduiken in een heel eigen microcosmos. Er valt nog veel te ontdekken voor wie wil. Ah, Portugal.

Thanks for the photos, Nuno Martins.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in