Warped Dreamer :: 7 juni 2016, De Singer

“GODVERDOMME, al die indrukken”, staat er ineens tussen andere aantekeningen die we maakten tijdens het concert van Warped Dreamer. Het is dat soort band: altijd in beweging, voortdurend in het midden van een transformatie, en dat met zo’n weelde aan ideeën dat je interne processor alles op alles moet zetten om bij te benen. Ongetwijfeld hard labeur voor iemand die er slechts een halve concentratie veil voor heeft, maar een bij momenten delirische ervaring voor zij die er oor naar hadden. Space travel voor gevorderden.

De combinatie van Teun Verbruggen, Jozef Dumoulin, Stian Westerhus en Arve Henriksen spreekt door de uiteenlopende achtergronden en verwezenlijkingen van die muzikanten al tot de verbeelding, maar zet ze bij elkaar, en het wordt snel duidelijk dat het ook gaat om sterke en diverse persoonlijkheden (dat was ook op het pas verschenen Lomahongva het geval), die op hun instrument allemaal uitgegroeid zijn tot individuele, uit de duizend herkenbare stemmen. En dat terwijl er niemand gewoon z’n truukje staat te doen. Dat het kwartet van start ging met etherische trompetlijnen, die gevolgd werden door desoriënterende klanken van Dumoulin en het geritsel van Verbruggen, dat zal geen mens verbaasd hebben, net zoals niemand opkeek van de elektrisch geladen pieken, maar de manier waarop dat gebeurde, was nog iets anders.

Het is die combinatie van Segageluiden, abrupte strompelritmes, Rhodeskreten die klinken als een huilende gitaar, een gitaar die acteert als een machinegeweer (niet enkel riff en textuur, maar ook ritmische puls), elektronica die opduikt, bewerkt wordt en tenslotte wegdeemstert. Driftige lunaparkgekte (het duurde ook niet lang voor er een snaar aan moest geloven bij Westerhus) die uitmondde in een kolkende massa, een geïmproviseerde wervelstorm met een geschifte hoeveelheid lagen en details, een sonisch labyrint om eindeloos in rond te zwerven. Soms hoekig en schijnbaar wiskundig georganiseerd, maar net zo goed als een oefening in muzikale deconstructie, uit z’n voegen barstende plunderschizofrenie, een hypermoderne kaleidoscoop die een update leek te brengen van Hancocks Mwandishi én Davis’ Bitches Brew. Maar dan gebracht door vier vrijbuiters die stuk voor stuk gretig de moderne technologie omarmen.

Dat niet om te beweren dat het een vette, ondoordringbare massa werd. Er waren ook een paar sobere, ingetogen momenten (net zoals de samenhang hier en daar ook een keer dreigde op te lossen), maar ook daar was je steeds opnieuw getuige van een creatieve vervelling, haalde Henriksen zijn invloeden uit onderwatersymfonieën, of stond hij er haast te rappen (een enkele keer was het eerder merkwaardig dan een echte meerwaarde), maar belandde het kwartet vervolgens weer in een kronkelige robotgroove, trokken Dumoulin en Westerhus àlle registers open (en, geloof ons, dat zijn er nogal wat), werd het boeltje aan de kook gebracht met impulsen die ze als broodkruimels leken rond te strooien, alsof ze de luisteraar wilden uitdagen om te volgen. Catch us if you can. Het resultaat was geen feest van de willekeur, geen collagekunst, maar een ingewikkeld en interactief weefsel.

Vijftig minuten hield dat aan, werd je meegenomen op een intergalactische trip van vier mad professors met een ambitieuze missie. Het tweede luik ging opnieuw diffuus van start, met referenties aan diverse uithoeken van het spectrum, zonder te werken met langetermijntoewijding. Zachtjes aanzwellende droompop, postrockspiraal, etherische kathedraal, borrelende vulkaan? Het ritme verdrong zich naar de voorgrond, ontpopte tot een even seismische als melancholische groove, met Verbruggen die als een moderne Liebezeit het boeltje vooruit jakkerde met cyclische patronen die herhaald en herhaald werden, met een motorik die nog eens beantwoord werd door geschifte effecten van Westerhus, nog altijd een van de meest inventieve gitaristen van deze tijd, die er een olijk dansje uitvoerde op z’n pedalen.

De ritmische effecten, akoestische en elektronisch, vlogen je om de oren. Wie precies wat deed, dat deed er vaak niet toe, en soms was het eigenlijk ook onbegonnen werk om dat uit te dokteren, omdat het ook steeds een andere gedaante kreeg. Net zoals Verbruggen, grandioos in de climax, voortdurend in de weer was met versnellen en vertragen, saboteren en abrupte hinkelspelletjes, zo kreeg het samenspel soms ook het aura van een spiegelpaleis, met kromme funk die genadeloos in ramkoers ging, zo krom werd dat de bochten in een knoop belandden, muteerde naar een jazzy futurisme van verschuivende accenten, alsof er hier een daar nog een kleine omleiding tussen moest. Het was een ijzersterke demonstratie met een aantal verbluffende momenten die zo dichtgepakt waren met ideeën en geluiden, dat je je bijna ging afvragen of ze met z’n drieën ook niet zouden kunnen, maar dan kwam het besef dat elke muzikant toch wel een cruciale rol te spelen had, dat je te maken had met een gelijkwaardig samengaan van vier muzikale stemmen met een gezamenlijk doel, maar geen voorspelbare uitkomst.

Warped Dreamer speelde verfijnd én energiek, cerebraal én visceraal, met de dromerigheid van Lilly Joel en de verkrampende energie van Chaos Of The Haunted Spire, maar zorgde vooral voor een mindfuck die je even totaal deed vergeten dat je in een kleine club in de provincie zat. Dit had niets meer te maken met zorgvuldig afgebakende territoria, met spelen onder de kerktoren, voorzichtig grenzen verleggen of getemperde nieuwsgierigheid. Dit was een ongebreidelde overgave aan het avontuur en een exploratie zonder grenzen. Dit was iets als The Future Sound Of Zargon IV, en dat klonk behoorlijk cool en opwindend.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 5 =