Free Fall :: 3 maart 2012, De Singer

In 2011 werd Ken Vandermarks liefde voor België officieel, want wie regelmatig op weg was voor een concert, kon haast niet anders dan de bedrijvige Amerikaan tegen het lijf lopen. Hij voegde zich bij de troepen van Brötzmanns Chicago Tentet, maakte deel uit van Fred Van Hoves bende op Middelheim, dook op in de rockcontext van The Ex en Lean Left en stelde de nieuwe projecten Made To Break en Side A voor. Nu was het de beurt aan Free Fall, misschien wel het meest genuanceerde van ’s mans projecten.

Dat is niet om te insinueren dat de man buiten dit trio steeds garant staat voor razende, uit z’n voegen barstende free jazz en avant-garde (want Vandermarks muziek is doorgaans een pak meer beredeneerd dan bijvoorbeeld die van generatiegenoot Mats Gustafsson), maar de nadruk op de fijnmazigheid en nuance van de muziek treedt hier meer dan bij z’n talloze andere projecten op de voorgrond. Wie z’n jazzgeschiedenis een beetje kent, weet dan ook dat dit geen toeval is. De naam van het trio is immers een verwijzing naar het derde (en laatste) album dat klarinettist Jimmy Giuffre in de vroege jaren zestig maakte met pianist Paul Bley en bassist Steve Swallow.

De drummerloze bezetting was al een merkwaardigheid, maar wie de dag van vandaag Free Fall (1962) nog eens oplegt, zal ook verbaasd zijn over de durf die aan de dag werd gelegd, over de afstand die gaapt tussen de traditionele jazz van die tijd en de microtonale revolutie die de drie lieten horen. Zelden was jazz zo sterk tot het domein van de kamermuziek doorgedrongen, met een resoluut abstract karakter en ongrijpbare kern, in een diffuse zone tussen compositie en improvisatie. En vaak vergeet men ook wel eens dat het trio op die plaat maar twee stukken speelde, want de resterende delen waren solo’s en duostukken.

Nochtans liet dit trio (naast Vandermark ook de Noren Håvard Wiik (piano) en Ingebrigt Håker-Flaten (bas)) met opener “Accidents With Ladders” een geluid horen dat eigenlijk een stuk toegankelijker was dan dat van Giuffre & co. Er was immers ruimte voor lekke spontane swing vol soepele wendingen en vingerknipritmes. Vandermarks basklarinet onthield zich even van dissonant blatende uithalen en Wiiks pianospel getuigde vooral van vloeiende melodieën. Nochtans zou het trio niet het hele concert zo’n koers varen, want het werd een afwisseling van vrij ingetogen, haast impressionistische schetsen, met hier en daar een energiestoot of een brok onvoorspelbaarheid. Elk derde stuk dat ze brachten was een vrije improvisatie en die waren doorgaans (maar niet altijd) een stuk ongeduriger en taaier.

Dat de muziek toch verteerbaar bleef, was in sterke mate ook te danken aan de compactheid van de stukken, die vaak rond of onder de vijf minutengrens bleven hangen. Daarenboven was het aanbod aan speeltechnieken ook voldoende om steeds opnieuw verrast te kunnen worden. Vlak na de energieke opener kreeg je immers al iets totaal anders te horen; Wiiks “Mythologies”, dat werd begonnen met een schrapende strijkpartij van Håker Flaten en zich plechtig en mysterieus naar z’n einde bewoog. Ook daarna kreeg je die wisselwerking van eerder ingetogen stukken (“E.C.”, “Molloy”) en meer woelige (“Music For Clocks”) of luchtige (de sierlijke afsluiter van de eerste set, waarin Vandermark z’n klarinet haast een Oosterse draai gaf).

Het sterke niveau van de eerste set werd nog overtroffen door de tweede set, die erg begeesterd van start ging en liet horen dat de drie na een decennium samenwerken in allerhande bezettingen (zo speelt Wiik ook in Side A en vond je Vandermark en Håker-Flaten ook samen terug in School Days) een mooie verstandhouding opgebouwd hebben. Daardoor konden ze ook het recentste album (Gray Scale, 2010) links laten liggen om aan de slag te gaan met ouder werk (vooral van Amsterdam Funk en The Point In A Line) en een handvol nieuwe composities die vooral van de hand van de pianist en bassist leken te komen.

Vandermark toonde zich zowel op de gewone als de basklarinet een bijzonder begeesterd improvisator (in “Turn{s}” volgde op de valreep nog een razende demonstratie van tot wat de man in staat is), die de enorme textuurmogelijkheden van het instrument perfect weet uit te buiten, terwijl ook z’n Scandinavische kompanen zowel ingetogen als expressief konden uitblinken, met een bevlogen bassolo in “Molloy” als hoogtepunt. Het was voortdurend dansen op een slappe koord tussen compositie en improvisatie, robuustheid en nuance, maar dat gebeurde met zo’n vanzelfsprekende spontaniteit en souplesse dat je niet anders kon dan inzien dat het trio op indrukwekkend hoog niveau stond te musiceren.

Het is nog niet gedaan: op zaterdag 17/3 brengt Vandermark z’n tienkoppige Resonance Ensemble naar KC BELGIE (Hasselt). De dag erna speelt hij een soloconcert in de Parazzar (Brugge).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in