Roscoe Mitchell + Sheldon Siegel :: 4 maart 2012, Archiduc

De mooie Brusselse art-decobar L’Archiduc vond al een hele tijd geleden een fantastisch gat in de markt door jazzconcerten te organiseren om 17u op zondag, een moment dat doorgaans toch maar wordt gevuld met gedrentel en aftellen naar de werkweek. Gisteren was er een levende legende uit de avant-gardejazz te horen.

Maar eerst was er nog een korte performance van de Canadese schrijver/performer Paul Dutton, die een set bracht die volledig rond het stemgebruik draaide. Het begin had iets van de spastische schizofrenie van Phil Minton, met gehuil, gesnuif, gegorgel, geschreeuw en een arsenaal moeilijker te omschrijven keelklanken. Daarna volgde een ritmisch jazzgedicht dat verrassend aanstekelijk was, maar het hoogtepunt werd bewaard voor het laatst, aarzelend tussen gestotter, geraaskal en het verwarrend horten en stoten van iemand die niet op z’n woorden kan komen. Een meedogenloze analyse van én eerbetoon aan het menselijke spreken in een set die even opmerkelijk als kort was.

Roscoe Mitchell (°1940) stond de dag ervoor nog op het Kraakfestival, het genreslopende evenement dat al eerder een paar zwaargewichten uit de vrije improvisatie en jazz aan het woord liet. De verwachting was dat Mitchell ook in Brussel een soloset zou spelen, maar neen: het Belgische improvisatietrio Sheldon Siegel kreeg, na eerdere concerten voor en met o.m. Nate Wooley, Fred Van Hove en John Butcher, nu ook de kans om direct aan de slag te gaan met Mitchell, een sleutelfiguur binnen de experimentele jazz van Chicago en ver daarbuiten. Zo stond hij mee aan de wieg van de Association for the Advancement of Creative Musicians, en maakte hij met Sound (1966) niet enkel een van de sleutelplaten van de jaren zestig, maar bracht hij zo een oerversie van het Art Ensemble Of Chicago bij elkaar.

Ruim 45 jaar later is die pioniersgeest nog steeds intact. Wie zijn recente werk beluisterde (bv. met the Note Factory, een achtkoppig ensemble met daarin Craig Taborn én Vijay Iyer) of zijn bijdrage aan de muziek van de jonge Chicago-drummer Mike Reed, hoort een artiest aan het werk die nog steeds op het scherp van de snee actief is. Hij was een van de eerste muzikanten om freejazz anders in te vullen, om verder te gaan dan razen en tieren op instinct. Zijn improvisatie gebeurde meer beredeneerd, met meer aandacht voor diverse improvisatiestrategieën, zacht/luid-dynamiek en textuur, maar was daardoor vaak ook een stuk cerebraler dan die van figuren als pakweg Albert Ayler of Pharoah Sanders.

Met het trio Sheldon Siegel – cellist Gino Coomans, percussionist Erik Heestermans en multi-instrumentalist Gerard Herman – had hij zich alleszins omringd met een trio dat stilaan een vaste waarde genoemd mag worden binnen de Belgische improvisatie en dat het open vizier heeft dat nodig was om het icoon tegemoet te treden. Toen Mitchell alleen begon op de fluit was het benieuwd afwachten hoe het drietal zou reageren: geduldig anticiperend en volledig ten dienste van de meester, of met een meer nadrukkelijke rol. Even zat de schrik er in dat het die eerste optie zou worden, want de drie hielden zich veeleer op de achtergrond en leken een afwachtende houding aan te nemen, met vooral ingetogen inkleuringen.

Daarna kwam er echter schot in de zaak, toen Mitchell steeds expressiever aan de slag ging en overschakelde op sopraansax. Hermans spel op tenor- en sopraansax werd expressiever, vaak met de nadruk op repetitieve brom- en schuurgolven, en vormde soms een mooie samenhang met Mitchells sterker gearticuleerde en soms verrassend krachtige spel. De man van het trio die deze keer echter het meeste indruk maakte, was Heestermans. Als weinig andere Belgische drummers – een vergelijkbaar voorbeeld is Eric Thielemans – beheerst hij de kunst om zonder nadrukkelijke ritmes of maatsoorten te spelen en de mogelijkheden van zijn drumkit uit te buiten op een vaak originele manier.

De eerste improvisatie, die uiteindelijk vlot de grens van een half uur zou overschrijden, kende een eerste hoogtepunt toen Herman en Mitchell, ondersteund door een steeds nadrukkelijker aanwezige Heestermans, naar een heftige climax toewerkten, wat door Coomans zeer mooi gecounterd werd met meeslepende uithalen op de cello. In een later moment ging die laatste zo fel tekeer dat een van de cellosnaren het even begaf, al zou het nooit het concert in gedrang brengen. Hoewel het duidelijk werd dat hier gezocht werd, leken de vier ook bijna even vaak te vinden, wat leidde tot een boeiende trip die laveerde tussen abstractie, introversie en agitatie.

Een tweede kort stuk liet die afwachtende houding meteen voor wat het was en pakte uit met een sopraansaxduel dat behoorlijk intens was. Het werd ook op een prachtige manier afgerond. Het slotstuk werd afgetrapt door Herman op z’n gepimpte melodica en kende een merkwaardig verloop, waarbij heel lang in de weer gegaan werd met variaties op lang aangehouden noten van Mitchell. Terwijl Herman een trilspeeltje losliet op een banjo (helaas amper hoorbaar), zorgde Coomans voor donker drama door ronkend gestrijk uit z’n cello te persen. Na een expressiever solomoment van Mitchell, waarbij hij de herhaling en extreme intervalsprongen even liet voor wat ze waren, kwam het opnieuw vanzelfsprekend aan z’n einde.

Mitchell liet horen dat hij nog steeds niet van plan is om op z’n lauweren te rusten. Met een behoorlijk indrukwekkende speeltechniek was hij degene die vaak vorm gaf aan een sterk uur vrije improvisatie. Die van Sheldon Siegel maakten ook aardig wat indruk door actief mee te gaan in dit taaie, maar boeiende verhaal vol verrassingen. Veel beter kan je die zondag niet invullen, al vragen we ons wel af hoe het intussen gesteld is met die ene mevrouw die na het optreden verontwaardigd en compleet van de kaart bij iemand van de organisatie kwam melden dat die aanfluiting niet was wat ze verwachtte. Blijkbaar heeft een ‘beluisteren op eigen risico’-waarschuwing nog nut. Vrije improvisatie is de échte duivelsmuziek.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − vier =