Rova Saxophone Quartet :: 2 maart 2012, De Werf

Dertien jaar na het eerste bezoek aan De Werf staat het legendarische kwartet nog eens in Brugge om te bewijzen dat zijn rol nog niet uitgespeeld is. Zelfs vierendertig jaar na de oprichting blijft de groepsgeest voor verrassingen en momenten van verbazing zorgen. Wat ergens in een online biografie te lezen valt, is dan ook helemaal juist: “The only constant in the music is the avoidance of cliché.”

Sinds eind jaren tachtig bestaat het kwartet uit dezelfde bezetting, met Jon Raskin, Larry Ochs, Bruce Ackley en Steve Adams (die oorspronkelijk lid Andrew Voigt verving). Die stabiliteit is niet van deze dag, al heeft het ongetwijfeld ook te maken met de lange weg die de muzikanten samen hebben afgelegd. Hoewel ze ontstonden in een periode waarin saxofoonkwartetten niet meer zo ongewoon waren — de generatiegenoten van World Saxophone Quartet startten rond dezelfde periode, maar hadden een pak meer (commercieel) succes — bleef hun aanpak er een van voortdurende vernieuwingsbewegingen, waarbij de band zich liet beïnvloeden door de free jazz en avant-garde van de jaren zestig, met voorlopers als John Coltrane, Steve Lacy en het Art Ensemble Of Chicago in het bijzonder, maar ook hedendaagse klassiek.

Ze werkten ook samen met een resem legendarische figuren, zoals Anthony Braxton, Sam Rivers, John Zorn en Fred Frith, die nog heel wat composities voor de band pende. Het woord valt: composities. Want hoewel het soms lijkt alsof Rova in z’n losgeslagen modus, wat soms iets kan hebben van een bezoek aan een hysterische volière, voluit de kaart van de radicaal vrije improvisatie trekt, is niets minder waar. De vier zijn al jaren meesters van de gestructureerde improvisatie, waarbij gewerkt wordt met basisingrediënten of -aanwijzingen die naar eigen goeddunken kunnen worden ingezet. En dan gaat het niet enkel over thematische ingrepen, maar suggesties om timbre, volume en densiteit van de muziek bij te sturen zoals het hen uitkomt. Dat zorgt ervoor dat de muziek altijd een duidelijke focus heeft, maar de luisteraar toch steeds voor nieuwe uitdagingen stelt.

Dat gegeven werd ook prachtig uitgewerkt in de diverse, strak gedoseerde eerste set, die van start ging met een intrigerende versie van Sam Rivers’ klassieke “Beatrice”, waarbij je meteen de uitzonderlijke dynamiek aan het werk zag, waarbij er een voortdurende wisselwerking van ideeën plaats vindt tussen de vier. Het ene moment lijken ze allemaal hun ding te doen, tot je beseft dat er eentje is die steeds een herhalend motiefje speelt waar de andere op improviseren. En dan wordt er geschoven, zijn er twee die de ene richting uit gaan, en twee de andere, nemen ze schrille, briesende of vleiende elementen van elkaar over, dwingen ze elkaar tot een spannende intensiteit. Nog duidelijker werd het allemaal door het eigen werk: Jon Raskins “African Tulip” en Steve Adams’ “Parallel Construction #2”, dat daadwerkelijk een spanning tussen de duo’s Ackley/Adams en Raskin/Ochs liet horen.

Het is muziek met een vaak uitgekiende en verbazingwekkende complexiteit, maar ook met een enorme rijkdom, waarbij het specifieke karakter van sopraan- (Ackley), alt- (Adams), tenor- (Ochs) en baritonsax (Raskin) leidde tot een enorme klankenrijkdom en speeltuin voor harmonische ideeën. Had dat het ene moment iets grilligs en ongrijpbaar, dan kreeg je iets later plots te maken met een bijna jubelende grandeur vol boventonen. Om nog maar te zwijgen van de briesende energie die het viertal aan de dag bracht tijdens een Masada-compositie van John Zorn, waarbij ze ook diens strategieën voor instant compositie overnamen, compleet met grappige handgebaren. Dat is iets dat ook te weinig benadrukt wordt: het draait niet enkel om cerebrale spelletjes, maar ook over durf en humor en zelfs gevoel. Zo was een broeierige versie van Glenn Spearmans “Extrapolation Of The Inevitable” een emotionele kaakslag en ging je op andere momenten spontaan grinniken bij al die zotheid.

Het meest van al misschien in de tweede set, die slechts drie composities bevatte, die bovendien een stuk taaier waren. Zo was “The Contours Of The Glass Head” een lange staalkaart waarbij de vier voortdurend van tactiek leken te wisselen en het hele gamma tentoonspreidden, van extended techniques vol sputterende momenten tot een voortdurende afwisseling van individueel en collectief geharrewar, iets dat ook werd voortgezet in een sectie uit Ochs’ suite “Certain Space” en een afsluitend stuk van Adams. Het samenspel bleef van een soms fenomenaal niveau en een telepathisch begrip dat je enkel krijgt na jarenlang samenspelen, maar het was bij momenten ook wel erg vermoeiend, waardoor het goed was dat de sets niet te lang gerekt werden.

Natuurlijk mag muziek nu en dan ook eens wat verwachten van de luisteraar en een concert van Rova bijwonen is alleszins een belevenis die even bijblijft. Het kwartet staat na meer dan dertig jaar experimenteren nog altijd op scherp en speelt eigenzinnige, mateloos intrigerende muziek waarbij de mogelijkheden schier eindeloos zijn. Hoe dat dan te rijmen valt met een onlangs uitgevaardigd artistiek advies van de Commissie Kunstencentra, dat boudweg en zonder enige argumentatie stelt dat het De Werf “(…) ontbreekt aan durf, creativiteit en ruimte voor experiment”, is ons ook een raadsel. Al kunnen we wel iets bedenken. Met de combinatie ‘stront en ‘oren’, bijvoorbeeld.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + 8 =