Albertijn/Olbrechts/Van Buggenhout Trio + The Thing :: 29 november 2013, Les Ateliers Claus

The Thing is hot. De verrassende samenwerking met Neneh Cherry stampte hun hipheidsgehalte een aardig stukje extra de lucht in, recente release Boot! was een oplawaai vanjewelste, en met het oprichten van een eigen label heeft het trio nog een extra boost gekregen. Dat werd nog eens in de verf gezet met een explosieve performance op maat van een breed publiek.

Het trio Christophe Albertijn (gitaar, elektronica), Thomas Olbrechts (altsax) en Willy Van Buggenhout (analoge synth) liet dan weer een geluid horen dat een stuk minder frontaal was. Iets meer dan een half jaar geleden maakten de drie een goede beurt in Antwerpen als voorprogramma van een band rond Steve Swell, en deze keer lieten ze opnieuw een zeer eigenzinnig geluid horen dat zich comfortabel (maar niet té) tussen verschillende genres en werelden nestelde. Muziek van het moment en gebracht met een voorspelbare onvoorspelbaarheid, maar dan wel door muzikanten die zich duidelijk goed voelden bij elkaar.

De performance leek dan ook een vrij gelijkwaardige bedoening voor de drie muzikanten, die elk hun stempel konden drukken op het handvol stukken dat gebracht werd. Van Buggenhout nu eens in de weer met ondersteunende ruis en pulsen, en dan weer met abrupt de kop opstekende flarden van Lynchiaanse disharmonie. Toch was vooral het samengaan met Albertijn heel geslaagd, want die slaagde er vaak in om zijn huilende, zoemende en krakende gitaar de rol van bijkomende elektronica te laten spelen, een enkele keer flirtend met distortion en noise, maar ook vaak subtiel aftastend. Olbrechts pakte al uit met een even ongewone stijl vol plofklanken, keelgeluiden en het gekwetter van neurotische vogels. Het was geen vanzelfsprekendheid om het volledige concert geconcentreerd te blijven, zeker met een publiek dat na een tijdje leek te willen afhaken, maar het was een uitdagende performance van een mooi trio dat een paar decennia vrije muziek samenvat zonder ook maar een keer te vervallen in fletse toegevingen.

The Thing leverde met Boot! een van zijn meest indrukwekkende platen af, een knaller die zowel de diepgang van het freejazzwerk als de gespierde hamervibe van hun sterker op de rock-‘n-roll georiënteerde albums uitstraalt. Het was ook meteen “India” (een bewerking van een stuk uit Coltranes Impressions), waarvoor Gustafsson de bassax hanteerde, dat door het zaaltje gejaagd werd. Een oplawaai van formaat en gebracht met de overgave waarvoor deze band intussen synoniem staat. Gustafsson, die er enorm scherp uitzag, wiegt nog steeds heen en weer als een bloeddorstig roofdier, Paal Nilssen-Love raast en roffelt erop los met die manische verbetenheid en bassist Ingebrigt Håker-Flaten, net als op de plaat met elektrische bas, geeft de muziek meer punch dan ooit. Het was allemaal heel erg in your face.

Het leidde bij momenten ook tot iets dat je haast als een soort Greatest Hits-set kon beschouwen, waarbij materiaal uit het nieuwe album haast naadloos kon overgaan in allerhande stukken uit eigen en andermans oeuvre. En vooral: het had de compacte en directe energie van een punkconcert. Nu en dan werd er even geraakt aan de meer soulvolle uithoek van hun discografie, waardoor het trio even gingen klinken als een backing band voor Mel Tormé, maar het was vooral de beuk erin, met het rechttoe rechtaan gevlam van “Ride The Sky” (Lightning Bolt) en een opzwepende versie van de obscure zydecosong “Call The Police”, die ze vorig jaar ook brachten met Neneh Cherry.

Gustafsson grapte er een eindje op los, o.m. door de muziek te classificeren als typische Scandinavische jazz, die van ECM en de fjorden, om vervolgens gehakt te maken van “Heaven” uit Boot!, waarvan het thema geleend werd bij Ellington. Håker-Flatens “Red River” was dan weer de aanleiding om het wat vrijer aan te pakken, dichter aanleunend bij het werk van de voorvaderen uit de jaren zestig en zeventig. En zo ging het heen en weer tussen robuuste power play, tribale hypnose en vrijheid, maar ook herkenbaarheid. Zo ging er een golf van herkenning door het zaaltje toen plots “Hidegen Fújnak A Szelek” (een Hongaarse folksong die bekend werd door de versie van The Ex & Tom Cora uit 1991) opdook, terwijl een imposante versie van inspiratiebron Don Cherry’s “Golden Heart” naadloos overging in het repetitieve krijgerslied “Viking”, van het wat onopgemerkt uitgebrachte, maar uitstekende Mono (2011).

Als bisnummer haalde het trio nog eens James Blood Ulmers “Baby Talk” uit de kast, eentje die ze ooit al bewerkten met de Noorse rockband Cato Salso Experience, en waarvoor Gustafsson opnieuw de bassax rond z’n nek hing. Voor velen is dit zware instrument amper te bespelen, zelfs met een gesp rond de borst, maar de stoere Zweed zwaaide ermee heen en weer alsof het ging om een doodgewone baritonsax. En dat is natuurlijk wat bijblijft als je The Thing ziet: dat zelfverzekerde, haast arrogante machtsvertoon. Maar dat aanvaard je van die kerels. Ze hebben al voldoende bewezen waartoe ze in staat zijn, en het blijft mooi hoe ze na honderden optredens nog altijd spelen alsof het de laatste keer is dat ze er samen staan. En je vraagt je meteen ook af waarom je dit soort band niet wat vaker te zien krijgt op onze zelfverklaarde open-minded rockfestivals. Je zou nogal wat bekken zien openvallen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 3 =