Had iemand nog een zomerplaat besteld? Ah nee? Gelukkig maar, want wat het jazz-artpunk sextet Opus Kink op hun debuut The Sweet Goodbye serveert, resoneert eerder met een of ander louche underground kruipkot dan een zonnige wei in bloei. Broeierig hete brij, dat wel. Hoofdingrediënten: smerige saxjes, vettige bassen, bezwerende vocals en een reeks ongure karakters die de revue passeren.
Het zijn koningen van de ongepaste timing, dit zootje ongeregeld: ‘Half of a good thing / Is its proximity to its end’ slingeren ze de onschuldige toehoorder al voor het eerste nummer goed en wel begonnen is in het gezicht. Uit datzelfde “Come Over, Do Me Wrong”: ‘Here it is / Merry Christmas’. En dat, we kunnen het niet genoeg benadrukken, op een plaat die putje zomer het levenslicht ziet. Opus K(w)ink(slag)? Zie ook: “448C (The Colour Of Love)”, of voor wie minder vloeiend Pantone spreekt, het officieel lelijkste kleur ter wereld door z’n associaties met vuil, vergankelijkheid en de dood, tot de kleur van de liefde gedoopt. Muzikaal is het al even pesterig gedoe. Als duiveltjes die je met hun drietanden in datzelfde beurs plekje blijven porren, lijken ze vaak tergend lang naar een climax toe te werken – die er natuurlijk nooit komt. Moeten we dan toch een masochistisch trekje hebben, want we laten ons met plezier de volgende ring van dit vagevuur van een plaat in lokken.
Dat we gewaarschuwd waren: het gitzwarte artwork lijkt een ets rechtstreeks uit een geïllustreerde versie van Dantes Inferno geplukt, veerboot richting onderwereld incluis. Dit mag dan wel hun eerste langspeler zijn, het zestal uit Brighton heeft al een tiental jaar dienst en een zee aan singles en EP’s op hun conto. Het weet ondertussen perfect waar het voor staat en hoe hun merk malafide muzikale chaos zich het best laat serveren. Voor wie toch graag nog een blik op de menukaart werpt: Fat White Family maar met meer zelfcontrole, een slinksere, slependere versie van Viagra Boys, een vunziger Deadletter, Fat Dog met meer inhoud.
In al z’n onvoorspelbaarheid is de Opus Kink klank toch een album lang consistent grillig. Als we er een sleutelnummer uit moeten halen: titeltrack “The Sweet Goodbye” (natúúrlijk niet de afsluiter op de plaat) vormt een erehaag van trompetten en een krakkemikkig orgeltje waar poëet/straatpredikant Angus Rogers lijzig door heupwiegt. Het is een frontman van het type cultleider dat zijn volgers zonder verpinken de afgrond in lokt – en ze zullen hem er nog dankbaar voor zijn ook. Nog onweerstaanbaarder wordt het op “I Have To Shine My Sunday Shoes”, wanneer Rogers geruggensteund wordt door het dronkemansgebral van zijn bandmaats. De samenzang is bedwelmend, er vallen knipoogjes naar disco, de plakkerige dansvloer lonkt. Perfect, want daar gedijt ook het gevaarlijk bezwerende “The Head Tree”, een collab met het geweldige The New Eves die hulde brengt aan de laatste vrouw die in Engeland als heks ter dood veroordeeld werd. Het is folk, het is punk, het sméékt om een Soulwax remix.
“Crucify!” gaat op hetzelfde opzwepende elan verder, met ongedurige drums, dreigende bassen en een extra grillige saxofoon die de Jezusachtige protagonist naar zijn “fucking hill to die on” begeleiden, tot het epos vanuit het niets tot een lekker aangeschoten kampvuurmomentje vervelt. Sorry Mel Gibson en Monty Python, dit is misschien wel onze favoriete kruistochtvertelling tot nu toe. Of het de catecheselessen haalt, is dan weer twijfelachtig. Zoals het een goed Bijbels verhaal betaamt, is de dood ook hier niet het einde. De mannen belonen ons met een verlosmoment in de vorm van “Oh, Irony”, een verdacht luchtig riedeltje met een melancholisch, bijna vrolijk synthlijntje dat ons vuur nog even brandend houdt … om het definitief af te blazen met een wel erg flatulent klinkende eindnoot. De duvels.
Was het duiveltje op onze schouder een plaat, dan heette het The Sweet Goodbye. Hadden de donkere middeleeuwen een soundtrack, dan kwam die vast van de hand van Opus Kink. Naar de hel met die typische zomerplaten – uiteindelijk is het daar ook lekker warm.




