Enrico Marini gebruikt handig de hiaten in de historische waarheid om zijn verhaal te overladen met zijn passies: grote prenten met gespierde mannen, stoere gevechten en naakte, rondborstige vrouwen. Het liefst ook met wat bloed en veel drama. Dat is in dit achtste boek van De Adelaars van Rome niet anders.
Marini begon met strips in de jaren negentig onder invloed van Japanse manga (Oliver Varèse, Gipsy). Gaandeweg evolueerde hij naar de rechtstreeks geschilderde stijl die we ook al zagen bij de Ardeense meester Hermann, een bewondering die hij nooit onder stoelen of banken heeft gestoken. Sinds hij De Adelaars van Rome startte, is hij ook volledig zijn eigen verhalenbaas geworden, na eerder al de samenwerking met scenaristen te hebben afgebouwd. De eerste delen van deze reeks waren een krachtige mix van de Hermannstijl en mangaperspectieven.
Als je naar zijn tekenstijl in dit achtste deel kijkt, merk je een verandering. Hoewel hij tot zeker het vijfde deel een ongelooflijke passie stak in de combinatie van penseelinkten en rechtstreeks inkleuren, lijken de laatste delen die jaarlijks verschijnen meer gehaast afgewerkt. Dit is toch niet meer de Marini van de eerste delen die iedereen omverblies.
De techniek met de rotringpen met rechtstreekse inkleuring komt minder sprekend en dynamisch over. Een goede strip combineert idealiter het penseel voor actie en overzicht, en de pen voor kleinere prenten en talking heads, maar voor die balans kiest Marini niet. En dan zijn er ook de zichtbare slordigheden. Kijk naar de eerste twee platen: dat hoofd van Medusa verschilt sterk op twee platen, dat is bijna fin-de-carrière Rosinki die er niet meer in slaagde Thorgals gezicht twee keer hetzelfde te tekenen. Dan die perspectiefsprong van vogelhoek naar point of view, daar mis je als lezer toch volledig de vloeiende lijn met zwierig penseel die Marini zo typeerde. Verder hebben personages vaak geen ogen meer. Dit leidt tot het sterke vermoeden dat Marini zich enkel nog bezighoudt met potlood en inkleuring, terwijl een assistent de inktlijnen voor z’n rekening neemt. Met de huidige jaarlijkse publicatie lijkt dat zeker plausibel.
Als verhalenverteller brengt Marini het er niet zo slecht vanaf. De grote verhaallijn over Arminius en Falco, de twee ‘broers’ die tegenover elkaar komen te staan, mag dan gebaseerd zijn op historische feiten, het is tegelijk de oudste soap ter wereld.
Marini neemt zijn tijd voor alle details, maar rekt het tegelijk behoorlijk lang. Hij moet dan ook de geschiedenis respecteren: we zitten in 15 na Christus en de Romeinen hebben één van de drie Adelaarstandaarden al terug. Het lot van Arminius is ook gekend, de geschiedenisboeken vertellen dat hij in 19 na Christus door zijn eigen volgelingen zal worden omgebracht.
Het verteltempo lijdt echter onder filmische vertelwijze, die in de jaren negentig opkwam. Hoewel dit soms prachtige platen oplevert -Marini speelt als geen ander machtig met perspectieven-, begint het tempo er wel door te slabakken. Een ervaren scenarist zou in elk deel al minstens tien pagina’s hebben kunnen snoeien om de actie te versnellen. Vooral in de laatste delen begint de reeks te lijden onder het voorrang geven aan tekenvoorkeur boven de echte narratieve noodzaak ervan.
Met dit achtste deel hoop je toch dat Marini het allemaal afrondt in de volgende twee delen, langer hoeft dit niet te duren. De gejaagdheid in het tekenwerk toont ook duidelijk aan dat hij het zelf zo snel mogelijk wil afronden. Dit boek leest als de stilte voor de laatste akte. Er zijn geen grote gevechten en geen indrukwekkende massascènes. Het plaatst alle pionnen nog een laatste keer op het speelveld. Je voelt dat de grote slag eraan zit te komen. Het wordt dus met plezier uitkijken naar de volgende afrondende delen waarin Marini nog eens alle registers kan opentrekken met indrukwekkende gevechten in prachtige, grote overzichtstekeningen. Laat het dan maar snel herfst 2026 worden.



