Naast de vier meesterwerken van Akira Kurosawa die deze zomer opnieuw werden uitgebracht, kan u vanaf deze week ook opnieuw (of voor het eerst) gaan kijken naar Pather Panchali, het openende deel uit Satyajit Rays gevierde Apu-trilogie. Een kolossaal meesterwerk dat u minsten één keer in uw leven zou moeten aanschouwd hebben.
Hoewel de Indische cinema uiteraard al eerder films produceerde die buiten de populaire traditie van melodrama en musical vielen, maakte het westen pas op het filmfestival van Cannes in 1956 kennis met de rijkdom en het raffinement van de Indische auteursfilm. Pather Panchali werd een begrip en regisseur Satyajit Ray bleef decennialang zowat het enige internationale uithangbord van de filmkunst uit zijn thuisland.
Dit debuut van Ray is een ode aan het Italiaanse neorealisme, de stroming die de grootste invloed uitoefende op het begin van Rays carrière. De regisseur had wat filmkenner Mark Cousins aangeeft als de essentie van het neorealisme – de dedramatisatie van de film – duidelijk zeer goed begrepen. De film is gevuld met vrijblijvende, schijnbaar achteloze observaties, die geen enkel narratief of structureel belang hebben, maar de realiteit van het ‘echte’ leven laten binnen sijpelen in het verhaal. “Loose ends that didn’t play back into the plot, where the chain of cause and effect is broken:” die beschrijving die Cousins gebruikt voor Ladri di Biciclette, het neorealistische monument van Vittorio de Sica, is dan ook even goed van toepassing op Pather Panchali. Die vrije, ongedwongen losse eindjes, schenken aan de film een opmerkelijke ritmiek en een minimalistische, poëtische beeldtaal die bij momenten naar het sublieme neigt.
Dit bejubelde debuut is het eerste luik van een trilogie over het leven van hoofdpersonage Apu. In dit openend deel zien we hoe hij in armoede geboren wordt en opgroeit en de ontberingen die daarmee gepaard gaan: zijn oudere zus die vruchten steelt uit de naburige boomgaard, zijn vader die wekenlang het huis moet verlaten om voldoende geld te verdienen, zijn strenge moeder die bijna ten onder gaat aan de tragedies die het gezin treffen. Aanvankelijk is de toon speels en avontuurlijk en ligt de focus op de kleine Apu die het leven ontdekt, maar gaandeweg wordt alles grimmiger en donkerder en worden we oprecht aangegrepen door het weinig fortuinlijke lot van de familie.
De beroemdste scène is het adembenemend in beeld gezette moment waarop de kinderen voor het eerst een trein aanschouwen – een virtuoze symfonie van licht, contrastschakeringen en geluid – maar Pather Panchali bevat genoeg grootsheid om een half dozijn films mee te vullen: de briljant geënsceneerde dood van de stokoude schoonzus die inwoont bij Apu’s gezin, de griezelige storm die raast wanneer de oudere zus doodziek in bed ligt, het betoverende toneelspel tijdens een festival en de deprimerende finale die ook de rechtstreekse aanzet vormt voor het tweede deel – Aparajito – waarin we de ouder geworden Apu volgen.



