Pamfletten en essays behoorden lange tijd tot de klassieke geschriften van filosofen. Naast hun meer academische werk waagden ze zich in het maatschappelijke debat en durfden ze stellingen in te nemen. Maar dit publieke werk draagt in het hedendaagse universitair universum niet bij tot een plek in de hiërarchie en dus hebben de meesten er weinig belang bij zich op dit domein te begeven. De enkele filosofen die zich hier nog aan wagen, hebben vaak een sterrenstatus verworven die ervoor zorgt dat hun meer populistische werken een breed publiek vinden.
De in Korea geboren en getogen, maar in 1980 naar Duitsland verhuisde filosoof Byung-Chul Han (1959) lijkt daar een uitzondering op te zijn. In 1994 behaalde hij zijn doctoraat in de filosofie, waarna hij in 2000 docent werd aan de Staatliche Hochschule für Gestaltung Karlsruhe. In 2010 behaalde hij zijn habitilation, de hoogste universitaire graad in Duitsland, waarna hij zijn carrière als essayist opstartte. Met ruim dertig werken is hij een heel actieve stem in het debat, waarbij hij zijn aandacht en kritiek vooral legt op wat hij zelf omschrijft als een samenleving waarin zelfuitbuiting, een ziekelijk positivisme en een vrijwillig opgeven van privacy centraal staan.
Die ideeën werkte hij een eerste maal uit in twee van zijn bekendste werken: Müdigkeitsgesellschaft (2010) en Transparenzgesellschaft (2012), respectievelijk vertaald als De vermoeide samenleving en De transparante samenleving. In de meeste van zijn volgende essays bouwt hij hierop verder en onderzoekt hij specifieke thema’s vanuit die dubbele invalshoek, waarbij hij onder meer reflecteert op geweld, macht en het verdwijnen van rituelen. De continue output zorgt er echter ook voor dat niet elke publicatie even hard nazindert en dat het gevoel ontstaat dat Han zich er soms te snel van afmaakt en gebruik maakt van een oppervlakkige reflectie waarbij hij zich verschuilt achter zijn dominante denkbeelden en talent – in plaats van een echte analyse uit te voeren.
Het recente De crisis van het narratieve (2023) is een van de werken die daar duidelijk onder lijden. Han laat zich leiden door enkele stellingen en knoopt die daarna losjes aan elkaar zonder, oh ironie, tot een coherent geheel te komen. Dit betekent niet dat Han in het essay niet enkele terechte pijnpunten aankaart – zo wijst hij er terecht op dat het vertellen van verhalen zijn plaats in de samenleving en het menselijk bestaan heeft. Dit maakt hij onder meer duidelijk door het kinderverhaal van Paul Maar, waarin het kind Konrad centraal staat, die geen verhalen kan brengen, enkel feiten. Het staat symbool voor Hans centrale these dat het vertellen van verhalen heeft plaatsgeruimd voor een enkelvoudige informatieoverdracht. Han verzet zich evenwel niet tegen feiten, maar klaagt aan dat data zonder interne coherentie het nieuwe adagium zijn.
Tezelfdertijd is hij niet blind voor wat hij als storytelling omschrijft: verhalen die vooral de sociale media overheersen. Dit is in de meest oppervlakkige vorm ook een manier om een verhaal te vertellen, maar dient vooral wat hij de neoliberale maatschappij noemt. De moderne ‘verhalenvertellers’ zijn ondernemers die zichzelf in de kijker zetten of een ander commercieel doel dienen en niet zozeer een verhaal vertellen om tot nieuwe ideeën te komen als wel om een bepaalde visie te verkopen. Het is een reductie van het narratieve tot een louter instrumenteel iets dat vanuit controle en verkoop werkt en niet fundamenteel bijdraagt tot de maatschappij. Hier overheerst opnieuw het stokpaardje van Hans centrale visie op een verarmde maatschappij waarbij iedereen gereduceerd is tot consument en producent.
Die basisthese is op zich niet verkeerd, en Han baseert zich op verschillende werken en denkers om dit te staven, maar daarbij slaagt hij er niet in om een breder verhaal of structuur te brengen. Daardoor blijft zijn kritiek gefragmenteerd en stijgt die nooit echt uit boven het anekdotische en ‘het is zo’. Het is, zoals gezegd, typerend voor zijn werk en het thema lijkt meer dan wat dan ook te bepalen of hij meer of minder een coherent verhaal weet te brengen. In het recent vertaalde Over het verdwijnen van rituelen (oorspronkelijk verschenen in 2017) slaagt hij daar bijvoorbeeld veel minder in. Meer zelfs: het voelt geregeld aan alsof hij een bepaald idee wil verkopen en alles wat daar potentieel tegenin kan gaan alleen vanuit een bepaald licht bekijkt om zijn stelling te staven.
Dat rituelen een belangrijke rol innemen in een maatschappij en het leven van elke mens spreekt voor zich, net zozeer als het feit dat bestaande rituelen in meerdere samenlevingen verdwijnen dan wel versnipperd raken. Voor Han hangt dit samen met het neoliberale denken, op zo’n manier dat hij alle nieuwe rituelen in vraag stelt en deze louter vanuit die invalshoek interpreteert. Zo verwijst hij naar hoe feesten ooit een vorm van gemeenschapsvorming waren, terwijl nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding volgens hem niet meer dan een vorm van consumptie zijn, iets wat hij doortrekt in reizen en toerisme – wat hij tegenover pelgrimstochten plaatst. Dat Han zich tot het katholicisme bekeerd heeft, is een publiek geheim, maar zelden laat hij dit zo sterk doorschemeren in zijn werk.
Toch is het niet zozeer zijn geloofsovertuiging die dit essay bepaalt als wel Hans visie dat moderne rituelen verstoken zijn van waarde omdat ze niet langer gekoppeld zijn aan specifieke gemeenschappen maar een meer mondiale weerslag hebben. Zo spreekt hij van een hypermarkt van cultuur en meent hij dat van alles hun waarde ontnomen is. Of het nu om overgangsrituelen, seksualiteitsbeleving of zelfs omgaan met de dood gaat, steevast herhaalt hij dezelfde visie. De conservatieve reflex die hij hierbij tentoonspreidt, is opvallend, want ook al klaagt hij terechte pijnpunten aan, zijn remedie lijkt wel heel rigide en achterhaald. Rituelen zijn altijd tijds- en plaatsgebonden geweest, waarbij interacties met andere culturen en samenlevingen een rol speelden.
Hans pleidooi voelt aan als een verstarring, en dat kan het door hem verfoeide marktdenken net versterken, want een ritueel dat niet mee-evolueert, kan net zo goed as een product in de markt gezet worden. Ondanks die centrale these slaagt hij er paradoxaal genoeg niet in om van Over het verdwijnen van rituelen een coherent geheel te maken. Het lijkt wel alsof hij verschillende ideeën snel onder eenzelfde noemer gooide en er dan losweg wat auteurs en stellingen aan plakt in de hoop er een diepzinniger idee uit te puren. Ook hier ontbreekt het dus aan een duidelijke coherentie, wat opnieuw ironisch is, aangezien zijn centrale these een pleidooi is voor verbondenheid.
Met ruim dertig essays op nauwelijks vijftien jaar tijd lijkt Han paradoxaal genoeg zijn eigen kritieken op de neoliberale maatschappij en de verdinglijking van de moderne mens net eerder te onderschrijven/illustreren dan werkelijk aan te vallen. Zijn centrale these is terecht en biedt stof tot nadenken, maar tezelfdertijd lijkt hij in zijn werken nooit echt dieper op de essentie in te gaan (wat gezien zijn tempo ook onmogelijk is). Wie (de meeste van) zijn essays gelezen heeft, weet waar Han voor staat, maar zijn fragmenterend schrijven is een vloek en een zegen. Het leest snel en vlot weg voor wie geen tijd heeft om dikke kleppers tot zich te nemen, maar het graaft ook nooit diep. Misschien moet Han zijn eigen ideeën wat meer ten harte nemen en zichzelf de tijd geven om zijn filosofie eens echt uit te werken in een uitgebreid, voldragen werk.



